Hoofdstuk 1
We kunnen organisatiekunde definiëren als een interdisciplinaire wetenschap
die zich bezighoudt met het bestuderen van het gedrag van organisaties alsmede
de factoren die dit gedrag bepalen en de wijze waarop organisaties het meest
doeltreffend bestuurd kunnen worden.
Elke vorm van menselijke samenwerking om een gemeenschappelijk doel te
bereiken, dat niet door 1 individu gerealiseerd kan worden noemen we een
organisatie.
De definitie van organisatiekunde omvat 2 aspecten van het vakgebied, namelijk:
1. Een descriptief aspect. Dit is een beschrijving van het gedrag van
organisaties, met de motieven en gevolgen.
2. Een prescriptief aspect. Dit is een advies over te volgen handelwijze en
organisatie-inrichtingen.
Met besturing wordt bedoeld het richting geven aan de processen die in een
organisatie plaatsvinden. Deze richting wijst naar een doel, dat vooraf bepaald
moet worden.
De mate waarin de besturing slaagt, wordt aangeduid met het begrip
doeltreffendheid of effectiviteit.
In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw is de organisatiekunde zoals we die nu
kennen ontstaan.
De eerste, vroege voorbeelden van internationale handel gaan terug naar de tijd
van de zogenoemde ‘handelsroutes’. De ‘zijderoute’ is een van de oudste
handelsroutes die was opgericht in 2 v. Chr. en verbond Europa, het Midden-
Oosten, Azië en hierdoor de grote Romeinse en Chinese beschaving.
De zijderoute zorgde voor het handelen van zijde, bont, keramiek, ijzer en brons
vanuit Azië naar het Westen in ruil voor onder meer goud, ivoor, wol en glas.
Enkele belangrijke handelsbedrijven waren:
- VOC; dit was de handel met Indië. Ontstaan op 20 maart 1602.
- Deense Oost-Indische Compagnie (opgericht 1614);
- Nederlandse West-Indische Compagnie (opgericht 1621).
- Franse West-Indische Compagnie (1664)
- Royal Afrikaanse Compagnie (1663)
- Hudson’s Bay Compagnie (1670)
Sinds het ontstaan van internationale handelsbedrijven tot het begin van de 20 e
eeuw is het aantal en de omvang van zogenoemde multinationale
ondernemingen nauwelijks toegenomen. Vanaf die tijd is er sprake van een grote
toename; van 3000 aan het begin 20e eeuw en ongeveer 90.000 multinationale
bedrijven eind 2014.
Deze groei heeft te maken met: de nationale overheden zijn hun macht deels
kwijt geraakt, technische ontwikkelingen (bijv. verkorten van afstanden) en het
optimaliseren van communicatie.
,Geordende verhandelingen op het gebied van leidinggeven en management zijn
voor de 20e eeuw echter zeldzaam. Toch troffen we deze aan bij de oude Grieken
zoals Socrates en Plato en veel later bij de Italiaan Niccolo Machiavelli (1469-
1527).
In zijn boek // Principe geeft hij tal van richtlijnen die vorsten, maar ook andere
leiders, van nut kunnen zijn. ze zijn vooral gericht op het behoud van macht en
de uitbreiding ervan.
Tot in de 2e helft van de 18e eeuw overheerste het mercantilisme als
economische denkrichting. Deze stroming stelde dat het bezit aan geld en goud
de enige welvaartsbron was. Totdat Adam Smith (1723-1790) in 1776 zijn
invloedrijke boek an inquiry into the nature and causes of the wealth of nations
schreef, waarin gesteld wordt dat productieve arbeid de bron is van welvaart en
dat door arbeidsverdeling de productiviteit van de arbeid sterk kan worden
verhoogd.
Aan het eind van de 19e eeuw waren bedrijven in de Verenigde Staten in omvang
enorm toegenomen. De bestaande beheersings- en besturingsmethoden waren
hierop niet berekend. De bedrijfsleiders trachtten de arbeiders slechts tot een zo
hoog mogelijke productie op te zwepen. De arbeiders verzetten zich hierop door
systematisch en georganiseerd tijd te rekken.
In deze situatie ontstond een behoefte aan een meer gestructureerde en
systematische aanpak. Degene die dit zag en er iets aan deed, was ingenieur
Frederick Winslow Taylor (1856-1915), die met zijn publicaties en lezingen
de grondlegger werd van wat later Scientific Management wordt genoemd.
Een bedrijfsleider moest volgens Taylor zich niet opstellen als slavendrijver maar
een bredere visie hebben op zijn taak in de organisatie die bestaat uit plannen,
coördineren, toezicht uitoefenen en het controleren van resultaten.
Enkele hoofdpunten uit Taylor zijn theorie over het bestuur en beheer van
organisaties (Scientific Management) zijn:
1. Een wetenschappelijke analyse van de werkzaamheden en het uitvoeren
van bewegingsstudies. (de resultaten hiervan kunnen leiden tot
standaardisatie en normalisatie).
2. Een vergaande taakverdeling en training van arbeiders, waarbij elke
handeling en beweging precies is voorgeschreven. Hierdoor routine
hogere productienormen.
3. Een hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en
arbeiders.
4. De bedrijfsleiders zijn verantwoordelijk voor het analyseren van en het
zoeken naar werkmethoden en het scheppen van productievoorwaarden.
5. De juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selectie.
6. Het invoeren van prestatiebeloning met als doel te komen tot lagere
productiekosten.
Het achtbazenstelsel werkte onder leiding van Taylor, maar is verder nooit
aangeslagen afstemmingsproblemen tussen chefs en onduidelijkheden van de
medewerkers.
, In Europa was Henry Fayol (1841-1925) de eerste die een samenhangend
stelsel van opvattingen ontwikkelde over de wijze waarop organisaties in hun
geheel bestuurd zouden moeten worden. Henry Fayol zijn ervaringen brachten
hem tot het formuleren van een theorie van het algemene management, dus de
gehele organisatie betreffende. Hierbij wijkt hij af van Taylor, die zijn systeem
opbouwde vanuit en voor de productieafdeling.
Henry Fayol zijn General Management-theorie was bedoeld als onderwijsmodel.
Hij onderscheidde 6 onafhankelijke managementgebieden: technisch,
commercieel, financieel, zelfbeschermend, boekhouding en besturing.
De besturing zorgt voor de onderlinge samenhang op de overige gebieden. Deze
besturing is uiteraard het belangrijkste onderdeel van de functie van managers
en bestaat uit 5 taken:
1. Plannen of vooruitzien. Het opstellen van een actieplan voor de
toekomst.
2. Organiseren. De opbouw van de organisatie met mensen en middelen.
3. Bevel voeren. Ervoor zorgen dat mensen aan het werk blijven.
4. Coördineren. Het onderling afstemmen van de activiteiten.
5. Controleren. Erop toezien dat de resultaten in overeenstemming met het
plan zijn.
Eenheid van commando was voor Fayol het belangrijkste principe. Iedere
werknemer heeft slechts 1 baas boven zich. Hiermee staat hij met zijn
opvattingen dus haaks op die van Taylor, die met zijn functionele organisatie de
eenheid van bevel doorbrak.
Max Weber (1864-1920) hield zich bezig met overheidsorganisaties en grote
bedrijven vanuit sociologische invalshoek. Grote organisaties hadden volgens
Weber in zijn tijd de volgende kenmerken:
- Een sterk doorgevoerde taakverdeling
- Hiërarchische bevelstructuur
- Nauwkeurig afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
- Uitvoering van werkzaamheden volgens vaste routineregels. Etc….
Weber stelde dat indien een organisatie volgens de hiervoor genoemde
kenmerken functioneerde, er sprake is van een ideale bureaucratie. Een
organisatievorm die, volgens hem, het meest doelmatig is.
De Human Relations-beweging ontstond in de tijd dat Scientific Management
de belangrijkste stroming was en de daarbij behorende sterk rationele
benadering van de manier van werken in organisaties.
Er werd onderzoek gedaan naar de invloed van lichtsterkte op de
arbeidsprestatie van productiemedewerkers. Bij 1 groep werd de lichtsterkte
verhoogd en bij de controle groep bleef deze constant. De productie steeg bij de
experiment groep, maar tot grote verbazing ook bij de controlegroep.
Elton Mayo (1880-1949) werd van de Harvard universiteit gehaald om een
verklaring hiervoor te vinden. Van 1927 tot 1947 voerde hij experimenten uit
waarbij hij het verband onderzocht tussen verbetering van werkomstandigheden
en de productiviteit.