Annotatie bij ECLI:NL:HR:2019:1409 (Schietincident Alphen
aan de Rijn)
Op 9 april 2011 heeft een schutter in en rond het winkelcentrum ‘de Ridderhof’ te Alphen aan
de Rijn met vuurwapens op mensen geschoten, waarbij zes mensen zijn gedood en zestien
mensen zijn verwond. Daarna heeft de schutter zichzelf van het leven beroofd. Bij het
schietincident heeft de schutter gebruik gemaakt van drie verschillende vuurwapens, te
weten een pistool, een kogelgeweer en een revolver.
In 2005 heeft de schutter aan de korpschef van de Politieregio Hollands Midden (hierna:
Politieregio HM) voor het eerst verlof gevraagd voor het voorhanden hebben van een
vuurwapen. Naar aanleiding van die aanvraag hebben medewerkers van Politieregio HM een
zogenaamd antecedentenonderzoek verricht. In dit onderzoek kwam naar voren dat in 2003
tegen de schutter tweemaal een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van
overtreding van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Die feiten zijn uiteindelijk
geseponeerd wegens geringe betrokkenheid van de schutter. Op grond van voornoemde
feiten heeft de korpschef het gevraagde verlof geweigerd.
Vervolgens heeft de schutter in 2008 voor de tweede keer verlof gevraagd voor het
voorhanden hebben van een vuurwapen. Ditmaal werd, nadat er opnieuw een
antecedentenonderzoek was uitgevoerd, het verlof wél verleend aan de schutter. De
medewerker die de verlofaanvraag behandelende was niet op de hoogte van de eerdere
aanvraag om verlof uit 2005 en daarnaast was de medewerker ook niet op de hoogte van de
incidenten uit 2003 die reden waren voor de weigering van de aanvraag. Het verlof is
vervolgens tweemaal verlengd. Tevens had de betreffende medewerker de Bopz-opname
van de schutter in een psychiatrisch ziekenhuis niet betrokken in de beoordeling van de
verlofaanvraag.
Rechtsgang
In deze procedure vorderden de verweerders (de slachtoffers dan wel nabestaanden en
winkeliers van wie eigendommen bij het betreffende schietincident zijn beschadigd) van de
politie, vergoeding van de schade die het gevolg is van het vuurwapengebruik van de
schutter. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de
Politieregio HM weliswaar onrechtmatig heeft gehandeld door het verlenen van het verlof,
maar dat de door Politieregio HM overtreden norm niet strekt ter bescherming van de
individuele vermogensbelangen van verweerders en zij dus niet wegens die overtreding
aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Vervolgens heeft het hof het vonnis van de
rechtbank vernietigd en de vordering wat betreft de materiële en immateriële letsel- en
overlijdensschade alsnog toegewezen. Het hof oordeelde als volgt: ‘De geschonden norm
strekt in dit geval tot bescherming van de burger in zijn individuele belang tegen de
schadelijke gevolgen van het gebruik (misbruik) van een vuurwapen’. 1 Het hof oordeelt dat
het voor de hand ligt dat bij een dergelijk misbruik gewonden en/of doden vallen en acht
daarmee dat de politie wel degelijk aansprakelijk is. De politie gaat vervolgens in cassatie.
Rechtsvraag en beantwoording
De belangrijkste rechtsvraag die de Hoge Raad diende te beantwoorden was de vraag of er
is voldaan aan het in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste. De Hoge Raad oordeelt
hierover, evenals als het hof, dat de WWM er niet slechts toe strekt om de veiligheid van de
samenleving te bevorderen, maar ook strekt om de burger in zijn individuele belang te
1
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409.
aan de Rijn)
Op 9 april 2011 heeft een schutter in en rond het winkelcentrum ‘de Ridderhof’ te Alphen aan
de Rijn met vuurwapens op mensen geschoten, waarbij zes mensen zijn gedood en zestien
mensen zijn verwond. Daarna heeft de schutter zichzelf van het leven beroofd. Bij het
schietincident heeft de schutter gebruik gemaakt van drie verschillende vuurwapens, te
weten een pistool, een kogelgeweer en een revolver.
In 2005 heeft de schutter aan de korpschef van de Politieregio Hollands Midden (hierna:
Politieregio HM) voor het eerst verlof gevraagd voor het voorhanden hebben van een
vuurwapen. Naar aanleiding van die aanvraag hebben medewerkers van Politieregio HM een
zogenaamd antecedentenonderzoek verricht. In dit onderzoek kwam naar voren dat in 2003
tegen de schutter tweemaal een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van
overtreding van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Die feiten zijn uiteindelijk
geseponeerd wegens geringe betrokkenheid van de schutter. Op grond van voornoemde
feiten heeft de korpschef het gevraagde verlof geweigerd.
Vervolgens heeft de schutter in 2008 voor de tweede keer verlof gevraagd voor het
voorhanden hebben van een vuurwapen. Ditmaal werd, nadat er opnieuw een
antecedentenonderzoek was uitgevoerd, het verlof wél verleend aan de schutter. De
medewerker die de verlofaanvraag behandelende was niet op de hoogte van de eerdere
aanvraag om verlof uit 2005 en daarnaast was de medewerker ook niet op de hoogte van de
incidenten uit 2003 die reden waren voor de weigering van de aanvraag. Het verlof is
vervolgens tweemaal verlengd. Tevens had de betreffende medewerker de Bopz-opname
van de schutter in een psychiatrisch ziekenhuis niet betrokken in de beoordeling van de
verlofaanvraag.
Rechtsgang
In deze procedure vorderden de verweerders (de slachtoffers dan wel nabestaanden en
winkeliers van wie eigendommen bij het betreffende schietincident zijn beschadigd) van de
politie, vergoeding van de schade die het gevolg is van het vuurwapengebruik van de
schutter. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de
Politieregio HM weliswaar onrechtmatig heeft gehandeld door het verlenen van het verlof,
maar dat de door Politieregio HM overtreden norm niet strekt ter bescherming van de
individuele vermogensbelangen van verweerders en zij dus niet wegens die overtreding
aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Vervolgens heeft het hof het vonnis van de
rechtbank vernietigd en de vordering wat betreft de materiële en immateriële letsel- en
overlijdensschade alsnog toegewezen. Het hof oordeelde als volgt: ‘De geschonden norm
strekt in dit geval tot bescherming van de burger in zijn individuele belang tegen de
schadelijke gevolgen van het gebruik (misbruik) van een vuurwapen’. 1 Het hof oordeelt dat
het voor de hand ligt dat bij een dergelijk misbruik gewonden en/of doden vallen en acht
daarmee dat de politie wel degelijk aansprakelijk is. De politie gaat vervolgens in cassatie.
Rechtsvraag en beantwoording
De belangrijkste rechtsvraag die de Hoge Raad diende te beantwoorden was de vraag of er
is voldaan aan het in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste. De Hoge Raad oordeelt
hierover, evenals als het hof, dat de WWM er niet slechts toe strekt om de veiligheid van de
samenleving te bevorderen, maar ook strekt om de burger in zijn individuele belang te
1
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409.