Week 1: verbintenissen en contractenrecht
Publiekrecht = regelt de verhouding tussen overheid en burger
Privaatrecht = regelt de verhouding tussen de burgers onderling
Gelaagde structuur BW = de regels gaan van algemeen naar bijzonder
Natuurlijke personen = een mens dat rechten en plichten heeft
Objectief recht = het geldende recht
Subjectief recht = aan iemand toekomende bevoegdheid
Een subjectief recht vloeit voort uit een objectief recht
Formeel erkende rechtsbronnen:
- De wet
- Jurisprudentie
- De gewoonte
- Verdragen
Privaatrechtelijke rechtsbronnen:
- Burgerlijk wetboek
- Bijzondere wetten bijv. faillissementswet, auteurswet
- Jurisprudentie
Wat is een rechtsfeit?
Een rechtsfeit is een feit waaraan het recht een of meer rechtsgevolgen verbindt.
Soorten rechtsfeiten:
- Blote rechtsfeiten: feit waaruit een rechtsgevolg voortkomt zonder dat de betrokkenen in staat is
invloed erop uit te oefenen bijvoorbeeld de geboorte of de dood.
- Rechtshandelingen: handeling met een beoogd rechtsgevolg. Ik verricht een handeling en
daarmee wil ik een bepaald rechtsgevolg. Zie verder
- Feitelijke handelingen: een handeling die wel een rechtsgevolg met zich meebrengt, maar het
rechtsgevolg is niet gewild. (Rechtmatige daad, onrechtmatige daad, wanprestatie)
Art. 3:33 BW Menselijk handeling met een beoogd rechtsgevolg:
Wil (gericht op een rechtsgevolg)
Verklaring moet overeenstemmen met het wil die gericht is op het rechtgevolg.
Ze moeten op elkaar zijn afgestemd
, Soorten rechtshandeling:
Eenzijdige rechtshandelingen Meervoudige
rechtshandelingen
Gerichte Ongerichte
rechtshandelingen: rechtshandelingen
Slagen alleen pas wanneer
het gericht is tot iemand
Voorbeeld van een gerichte eenzijdige rechtshandeling: Het opzeggen van een
arbeidsovereenkomst. (Ik wil mijn baan opzeggen. Hier heb ik geen toestemming van mijn baas voor
nodig, maar hij moet hier wel vanaf weten. Dus ik moet dit richten op mijn baas.)
Voorbeeld van een ongerichte eenzijdige rechtshandeling: het opstellen van een testament. Maar
dat hoeft tot niemand gericht worden om het te laten werken.
Meervoudige Rechtshandeling (bijv. overeenkomst): Om het rechtsgevolg te laten intreden heb je
minstens 2 rechtshandelingen nodig
Let op! Een schenking is ook een meerzijdige rechtshandeling want hierbij is ook een aanbod en
aanvaarding nodig. Maar wel een eenzijdige overeenkomst.
Stel opa Harrie schenkt een auto aan Marieke. Marieke dient de schenking te aanvaarden om
de overeenkomst tot stand te laten komen (aanbod en aanvaarding – meervoudige
rechtshandeling). Maar het is wel een eenzijdige overeenkomst want opa Harrie schenkt.
Art 6:1 bw Verbintenissen kunnen slechts ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit. Hier staat niet
dat elke verbintenis in de wet genoteerd moet staan hierdoor spreken we van een beperkt open
systeem van het verbintenissenrecht arrest Quint/Te Poel
Arrest quint/te poel heeft geleid tot een tot een beperkt open systeem van het
verbintenissenrecht. Voorheen was het zo dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan indien ze in de
wet staan genoteerd. Later is dit verandert nu staat er ‘voortvloeit’
Week 2:
Tot stand komen van een overeenkomst
, Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling
Een overeenkomst komt tot stand als er voldaan is aan de 6 vereisten:
Vereiste 1: Aanbod en aanvaarding
6:217 BW Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding.
Soms is een aanbod een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Dit is wanneer de persoon van
de koper relevant is bijv. bij het kopen van een huis. HR Hofland/Hennis
Vereiste 2: Wil en verklaring
3:33 BW het aanbod en aanvaarding bestaat beide uit een wil en een verklaring
3:37 lid 1 BW: de wil kan in iedere vorm geschieden
3:37 lid 3 BW: ontvang theorie; om een overeenkomst tot stand te laten komen moet de wil
bij de wederpartij zijn aangekomen. (en het kan worden herroepen tot het moment dat het
is aangekomen)
- Vertrouwensbeginsel/gerechtvaardigd vertrouwen
Vereiste 3: om een overeenkomst te kunnen sluiten moet je handelingsbekwaam zijn
In beginsel is iedereen handelingsbekwaam, maar er zijn twee categorieën:
- De minderjarige zijn handelingsbekwaam, mits toestemming art 1:233, 1:234 (een kind van 9
mag zonder toestemming geen fiets kopen van 900 euro)
- De onder curatele gestelde:
Een onder curatele is onbekwaam rechtshandelingen uit te voeren, wel bekwaam met toestemming
van curator 1:381 BW
a. Drank/drugs verslaving
b. Lichamelijke of geestelijke stoornis
Rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar
Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame is nietig
- Feitelijke onbekwaamheid: iemand is fysiek niet in staat om handelingen te verrichten; een baby
kan geen huis kooep
LET OP: een handelingsonbekwame is NIET ook per definitie beschikkingsonbevoegd
Vereiste 4: Bepaalbaarheid vereiste: het moet duidelijk zijn om wat het gaat
Contractsvrijheid: partijen zijn vrij om de inhoud van de overeenkomst te bepalen, maar moet wel
bepaalbaar zijn. Art 6:227
Vereiste 5: Vormvereiste
Art 3:37 BW: vormvrij tenzij anders bepaald
Vereiste 6: overeenkomst is niet in strijd met de wet (art. 3:40 lid 2 BW) of in strijd met de goede
zeden of openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW)
De inhoud wat de partijen met elkaar afspreken mag niet:
- In strijd zijn met de wet: verboden volgens de wet; bijv het telen van wiet