Diabetes mellitus en
zwangerschap
Informatorium voor voeding en diëtetiek
Samenvatting
» Diabetes mellitus en diabetes gravidarum vergroten de kans op complicaties
tijdens de zwangerschap. De kans op complicaties bij moeder en kind als gevolg
van diabetes type 1 of type 2 is afhankelijk van de instelling en de van tevoren
aanwezige complicaties bij de moeder. Het risico hangt onder andere samen met
de bloedglucoseregulatie rond de conceptie. Bij normoglykemie in deze periode is
de kans op een aangeboren afwijking het kleinst, maar nog altijd een- tot
tweemaal groter dan bij vrouwen zonder diabetes.
» Het belangrijkste doel van de behandeling tijdens de zwangerschap is het
normaliseren van de bloedglucosewaarden. Voor een optimaal resultaat van de
behandeling van zowel zwangere vrouwen met diabetes mellitus als vrouwen met
diabetes gravidarum is het noodzakelijk dat de patiënten goede voorlichting
krijgen en de adviezen voor de voeding kunnen integreren in hun dagelijks leven.
De diëtist speelt hierbij een belangrijke rol. Educatie en zelfcontrole van de
bloedglucosewaarden vormen een belangrijk onderdeel van de multidisciplinaire
behandeling.
Voedingsproblemen
Tijdens de zwangerschap treden een aantal specifieke voedingsproblemen op bij
vrouwen met diabetes mellitus of diabetes gravidarum.
Hypoglykemieën
In het begin van de zwangerschap neemt de insulinebehoefte vaak af, waardoor
de kans op hypoglykemieën groter wordt. Bekendheid met het probleem, extra
koolhydraatinneming voor het slapen gaan, aanpassing van het insulineregime
en regelmatige controle van de bloedglucosespiegel halverwege de nacht zijn
meestal toereikend om ernstige problemen te voorkomen.
Misselijkheid
Misselijkheid en braken komen tijdens de zwangerschap veelvuldig voor
(Broussard & Richter, 1998). Een verminderde tonus en motiliteit van de maag en
de dunne darm verlengt de verblijfstijd van voedsel in maag en darm. Dit wordt
veroorzaakt door hormonale veranderingen.
Deze hormonale veranderingen gaan gepaard met een verhoogde absorptie van
voedingstoffen maar kunnen misselijkheid veroorzaken, wat van invloed is op de
voedselinneming. Onvolwaardige voeding kan een gevolg zijn. Soms is het nodig
om het insulineregime aan te passen als er vaker op een dag wordt gegeten of
indien er maaltijden worden overgeslagen (Power e.a., 2001).
, Hyperemesis gravidarum
Hormonale veranderingen spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van
hyperemesis gravidarum (hg) (zwangerschapsbraken). De aanwezigheid van het
humane choriongonadotropine, een hormoon dat vooral in het eerste trimester
van de zwangerschap door de placenta wordt gemaakt, kan leiden tot overmatig
braken. Hyperemesis gravidarum is gekenmerkt door excessief braken,
beginnend in het eerste trimester van de zwangerschap, waardoor onvoldoende
vocht binnengehouden wordt. Dit leidt tot gewichtsverlies, dehydratie, ketonurie,
stoornissen in de elektrolytenbalans en in de zuur-base-evenwichten. Het komt
voor bij ongeveer 2 procent van alle zwangerschappen. Bij vrouwen met
diabetische autonome neuropathie kan hg een ernstiger beloop hebben (ndf,
2000a).
De verschijnselen verminderen of verdwijnen rond de twintigste week van de
zwangerschap, vanwege de placentahormonen die de instandhouding van de
zwangerschap overnemen. Hyperemesis gravidarum lijkt geen negatieve invloed
op de uitkomst van de zwangerschap te hebben. Wel is het van invloed op de
voedingstoestand en het welbevinden van de zwangere vrouw (Boyce,
1992;Eliakim, 2000;Jager & Holm, 2002). Alleen bij ernstige gevallen wordt de
cliënt opgenomen (Tsang e.a., 1996;Boyce, 1992;Jager & Holm, 2002).
Voedselvoorkeuren en -aversies
Veel vrouwen krijgen tijdens de zwangerschap veranderde voedselvoorkeuren en
voedselaversies (Bayley, 2002). Meestal bestaat er aversie tegen thee, koffie,
vlees, vis, gevogelte, eieren en sterk gekruide producten. Vooral fruit,
vruchtensappen, snoep en chocolade worden veel gegeten en gedronken. Het is
raadzaam om vette en zoete producten beperkt te gebruiken, aangezien deze
vaak veel energie leveren en weinig vitamines en mineralen bevatten. Verder
hebben zoete producten een relatief grote invloed op de bloedglucosewaarden.
Aanpassing van het insulineregime kan bij ruim gebruik hiervan nodig zijn
(Bayley, 2002).
zwangerschap
Informatorium voor voeding en diëtetiek
Samenvatting
» Diabetes mellitus en diabetes gravidarum vergroten de kans op complicaties
tijdens de zwangerschap. De kans op complicaties bij moeder en kind als gevolg
van diabetes type 1 of type 2 is afhankelijk van de instelling en de van tevoren
aanwezige complicaties bij de moeder. Het risico hangt onder andere samen met
de bloedglucoseregulatie rond de conceptie. Bij normoglykemie in deze periode is
de kans op een aangeboren afwijking het kleinst, maar nog altijd een- tot
tweemaal groter dan bij vrouwen zonder diabetes.
» Het belangrijkste doel van de behandeling tijdens de zwangerschap is het
normaliseren van de bloedglucosewaarden. Voor een optimaal resultaat van de
behandeling van zowel zwangere vrouwen met diabetes mellitus als vrouwen met
diabetes gravidarum is het noodzakelijk dat de patiënten goede voorlichting
krijgen en de adviezen voor de voeding kunnen integreren in hun dagelijks leven.
De diëtist speelt hierbij een belangrijke rol. Educatie en zelfcontrole van de
bloedglucosewaarden vormen een belangrijk onderdeel van de multidisciplinaire
behandeling.
Voedingsproblemen
Tijdens de zwangerschap treden een aantal specifieke voedingsproblemen op bij
vrouwen met diabetes mellitus of diabetes gravidarum.
Hypoglykemieën
In het begin van de zwangerschap neemt de insulinebehoefte vaak af, waardoor
de kans op hypoglykemieën groter wordt. Bekendheid met het probleem, extra
koolhydraatinneming voor het slapen gaan, aanpassing van het insulineregime
en regelmatige controle van de bloedglucosespiegel halverwege de nacht zijn
meestal toereikend om ernstige problemen te voorkomen.
Misselijkheid
Misselijkheid en braken komen tijdens de zwangerschap veelvuldig voor
(Broussard & Richter, 1998). Een verminderde tonus en motiliteit van de maag en
de dunne darm verlengt de verblijfstijd van voedsel in maag en darm. Dit wordt
veroorzaakt door hormonale veranderingen.
Deze hormonale veranderingen gaan gepaard met een verhoogde absorptie van
voedingstoffen maar kunnen misselijkheid veroorzaken, wat van invloed is op de
voedselinneming. Onvolwaardige voeding kan een gevolg zijn. Soms is het nodig
om het insulineregime aan te passen als er vaker op een dag wordt gegeten of
indien er maaltijden worden overgeslagen (Power e.a., 2001).
, Hyperemesis gravidarum
Hormonale veranderingen spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van
hyperemesis gravidarum (hg) (zwangerschapsbraken). De aanwezigheid van het
humane choriongonadotropine, een hormoon dat vooral in het eerste trimester
van de zwangerschap door de placenta wordt gemaakt, kan leiden tot overmatig
braken. Hyperemesis gravidarum is gekenmerkt door excessief braken,
beginnend in het eerste trimester van de zwangerschap, waardoor onvoldoende
vocht binnengehouden wordt. Dit leidt tot gewichtsverlies, dehydratie, ketonurie,
stoornissen in de elektrolytenbalans en in de zuur-base-evenwichten. Het komt
voor bij ongeveer 2 procent van alle zwangerschappen. Bij vrouwen met
diabetische autonome neuropathie kan hg een ernstiger beloop hebben (ndf,
2000a).
De verschijnselen verminderen of verdwijnen rond de twintigste week van de
zwangerschap, vanwege de placentahormonen die de instandhouding van de
zwangerschap overnemen. Hyperemesis gravidarum lijkt geen negatieve invloed
op de uitkomst van de zwangerschap te hebben. Wel is het van invloed op de
voedingstoestand en het welbevinden van de zwangere vrouw (Boyce,
1992;Eliakim, 2000;Jager & Holm, 2002). Alleen bij ernstige gevallen wordt de
cliënt opgenomen (Tsang e.a., 1996;Boyce, 1992;Jager & Holm, 2002).
Voedselvoorkeuren en -aversies
Veel vrouwen krijgen tijdens de zwangerschap veranderde voedselvoorkeuren en
voedselaversies (Bayley, 2002). Meestal bestaat er aversie tegen thee, koffie,
vlees, vis, gevogelte, eieren en sterk gekruide producten. Vooral fruit,
vruchtensappen, snoep en chocolade worden veel gegeten en gedronken. Het is
raadzaam om vette en zoete producten beperkt te gebruiken, aangezien deze
vaak veel energie leveren en weinig vitamines en mineralen bevatten. Verder
hebben zoete producten een relatief grote invloed op de bloedglucosewaarden.
Aanpassing van het insulineregime kan bij ruim gebruik hiervan nodig zijn
(Bayley, 2002).