Groepsdynamica
Lewin is de belangrijkste grondlegger in de groepsdynamica
Groepsdynamica bestudeert het gedrag van mensen in kleine groepen (<20)
Psychologie bestudeert het individu
Sociologie bestudeert de samenleving
Groep
= Een verzameling individuen die in een bepaalde context meer interactie hebben met
elkaar dan met anderen daarbuiten
= Sociale eenheid die uit twee of meer personen bestaat die zichzelf als lid van een groep
beschouwen
= Een verzameling van twee of meer personen die in zekere mate afhankelijk van elkaar
zijn, die gemeenschappelijke uitgangspunten hebben en die elkaar wederzijds
beïnvloeden
Taakaspecten Wat doet de groep
Sociaal-emotionele aspecten Hoe verloopt het proces
Kenmerken van groepen
- Er is een bepaald belang of persoonlijke behoefte
- Je wilt iets met elkaar bereiken
- Direct contact tussen de leden
- Het gevoel van samen een groep te zijn
Nadelen om bij een groep te horen:
- Aanpassing
- Collectief gedrag en controleverlies
- Anonimiteit en verantwoordelijkheid
Primaire groep Gericht op persoonlijkheid, relaties spontaan, mensen niet direct
vervangbaar (bijvoorbeeld gezin)
Secundaire groep Onpersoonlijk, koele relaties, afstand groter, mensen
vervangbaar
Formele groep Taak uitvoeren (bijvoorbeeld werk)
Informele groep Taak ligt lager, onderlinge belangstelling (bijvoorbeeld
vriendengroep)
Referentiegroep Vergelijking
Lidmaatschap Alleen in naam lid
Sociogroep Lid van naam (zakelijke/maatschappelijke relaties)
Psychegroep Hier participeer je mee (persoonlijke relaties)
Ingroup Wij-groep
Outgroup Zij-groep
Handengroep Doen/fysiek (trainingen)
Hoofdgroep Denken/mentaal (cursussen)
Hartgroep Voelen/emotioneel (praatgroep)
Belangrijke grondleggers
Roetlisberger en Dickson Howtone-effect
Kurt Lewin Pionier groepsdynamica
, Bales Interactie procesanalyse
Sherif en sherif Robbers cave experiment
Asch en Milgram
Externe systeem = Wat er in een groep afspeelt, vervullen van een taak
Interne systeem = Niet gepland, ontwikkeld spontaan uit interacties
Vijf niveaus van interactie
1. Inhoudsniveau = Werk aan doelstelling en taak (Wat)
2. Procedure niveau = Werkwijze ter concretisering van de doelstelling (Hoe)
3. Interactie niveau = Groepsproces en onderlinge betrekkingen (Tussen)
4. Bestaansniveau = Individuele proces van ieder groepslid (Binnen)
5. Contextniveau = Invloeden die in de groep doorklinken vanuit de context
(Buiten)
Twee niveaus taakaspecten Inhoudsniveau en procedureniveau
Twee niveaus sociaal-emotionele Interactieniveau en bestaansniveau
Communicatie Inhoudsniveau en betrekkingsniveau
Inhoudsniveau Gezamenlijke doelbepaling + einddoel
Interventies inhoudsniveau
- Samenvatten
- Informatie geven + krijgen
- Meningen geven + vragen
Interventies procedureniveau
- Duidelijke agenda
- Omgangsregel
- Participatie regels helder aangeven
Interventies interactieniveau (eenheid en kracht)
- Veilig leer + leefklimaat
- Herkenning en erkenning bieden
- Sociaal isolement doorbreken
- Macht
- Betrokkenheid
Interventies bestaansniveau
- Voorbeeldfunctie van leider
- Acceptatie
- Feedback en confrontatie
- Openheid
- Durven experimenteren
Erkenning krijgen, er toe doen, erbij horen, van betekenis te mogen zijn, gevoel mee
te tellen zijn belangrijk bij het bestaansniveau
Belangrijk binnen een groep = interactieniveau en bestaansniveau
Verklaringen rondom groepsontwikkeling
1. Lineaire model Ordelijke voortgang van een groep door meerdere fases te
doorlopen in een stijgende lijn
2. Spiraal model Proceskant in groepen hoe meer je met elkaar bent en deelt,
hoe meer ‘groep’ er ontstaat
3. Polariteitmodel Gaat uit van de spanningen tussen de zich steeds wisselende
polariteiten