CW01 Orthopedagogiek
Consequenties voor ouders wanneer ze een kind met een stoornis hebben
Periode 2
- Opvoedkenmerken
- (Mogelijke) effect op het opvoedsysteem
- Specifiek kindermishandeling
Lesdoelen werkcollege 1
- Student heeft zicht op de impact van het hebben van een kind met een
specifieke hulpvraag op het opvoedsysteem
- De student heeft zicht op het ondersteuningsaanbod (ouderverenigingen)
voor ouders van kinderen met specifieke hulpvragen
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
--------------------
Illusies van ouders:
- Maakbaarheid
“Als ik heel goed mij best doe, dan lukt alles wel en kan ik alles bereiken
bij mijn kind”
- Management van het dagelijks bestaan
Continu rekening houden met kinderen. Wordt beperkt in veel dingen
- Gezondheid
Handicaps, stoornissen, ongelukken etc. ga je niet vanuit in eerste
instantie
- Het beeld van het kind
Je vormt je een beeld van hoe je kind zou zijn, dit kan totaal anders zijn.
- Het ouderschap zelf
Je denkt dat je goed kunt handelen in bepaalde situaties, maar reageert in
het echt anders
Illusies van hulpverleners:
- Gevoel van falen
- Deskundigen- of dialoogmodel
- Ouder is ervaringsdeskundige
- Verantwoordelijk zijn
- Balans opvoedingstaken en vaardigheden
, CH01 Orthopedagogiek
Omgang en begeleiden van ouders met problemen
- De student legt uit wat impact is van (psychiatrische problemen van
ouders op de opvoeding
- De student licht een mogelijke aanpak toe (afgestemd op de specifieke
hulpvraag van ouders) in de opvoedsituaties waarin sprake is van
(psychiatrische) problematiek
KOPP kinderen
(kinderen van ouders met psychiatrische/verslavingsproblemen)
Kinderen van wie minstens een van de ouders ten minste een keer is
opgenomen in de psychiatrie of bij wie een psychiatrisch ziektebeeld is
vastgesteld. (Hierbij is het kind onder de 22 jaar)
Dit is een risicofactoor voor de ontwikkeling van het kind. Het vergroot de
kans dat de ouder minder goed opvoedkundige taken naar behoren kan
uitvoeren!
Risicofactoren: (toets!)
- Complicaties bij de geboorte
- Ouders hebben moeite met hechting, hierdoor ontstaat mogelijk
hechtingsproblematiek.
- Moeilijk temperament (ouders hebben vaak wisselende stemmingen)
- Type, ernst en chroniciteit van de problematiek bij de ouders
(in hoeverre heeft ouder er veel last van)
- De mate waarin de psychiatrische problemen bij het ouderlijk functioneren
beïnvloeden (sommige ouders proberen wél nog een goede ouder te zijn,
andere kunnen dit ook niet meer)
- Disfunctioneren van andere ouder
(in hoeverre neemt andere ouder de taken op zich en zorg neemt voor het
kind)
- Ingrijpende veranderingen op het niveau van het gezin
(uithuisplaatsing, verhuizen, scheiding)
- Scheiding en relatieproblemen tussen ouders
(kinderen krijgen vaak heftige situaties mee zoals extreme ruzies tussen
ouders)
Beschermende factoren
- Goede ouder-kindrelatie
(wanneer de ouder zich goed voelt, is er nog steeds een sterke band met
het kind)
- Competenties van het kind om met de situaties om te gaan met coping
(kinderen die begrijpen wat er gebeurd, en beter om kunnen gaan met
heftige situaties)
- Steun van andere ouder
- Ondersteunend netwerk of ondersteunende vertrouwenspersoon
- Gunstig schoolmilieu en goede schoolervaringen
- Juist beeld bij het kind van de problematiek
(kind beseft dat hij/zijzelf niks kan doen aan de problematiek van de
ouder)