Pathologie
Blok
1.3
Het
Bloed
Bloedvatenstelsel:
Voor
het
transporteren
van
voedingsstoffen,
afvalstoffen,
cellen,
zuurstof
en
koolstofdioxide
in
het
lichaam.
Functies
van
bloed:
• Transport
• Stabiliseren
van
de
pH,
temperatuur
en
de
ionensamenstelling
(Mineralen)
van
interstitiële
vloeistof
(=
vloeistof
tussen
de
cellen)
• Beperken
vochtverlies
bij
een
wond
• Verdedigen
tegen
gifstoffen
en
ziekteverwekkers
• Glucose
uitwisseling
(Voor
energie)
-‐ Bloed
is
in
1
minuut
je
lichaam
rond
gepompt
(Het
hart
slaat
gemiddeld
60x
per
minuut)
-‐ De
pH
van
het
bloed
is
7,4
(Bij
hele
hoge
vet
inname
wordt
het
bloed
zuurder)
-‐ De
temperatuur
van
het
bloed
is
38°C
-‐ Het
bloedplasma,
uit
het
bloedvatenstelsel,
kan
zich
verplaatsen
naar
de
lymfevaten.
Hier
reinigt
de
lymfe
het
bloedplasma
waarna
het
weer
terugstroomt
in
het
bloedvatenstelsel
-‐ De
normale
druk
(in
de
aorta)
is
120
over
80.
Hierbij
is
120
de
bovendruk
(systolische
druk;
samentrekken
van
het
hart)
en
80
de
onderdruk
(diastolische
druk;
ontspannen
van
het
hart)
in
mmhg.
Hoe
lager
het
bloed
komt
in
je
slagaders,
hoe
verder
de
druk
afneemt
-‐ Bloed
kan
op
2
manieren
onderzocht
worden:
o Veneuze
punctie
(Bloedprikken
uit
ader)
o Arteriële
punctie
(Bloedprikken
uit
slagader
exclusief
voor
informatie
over
het
zuurstof
gehalte
en
de
pH
van
het
bloed)
Samenstelling
bloed:
Bloed
bestaat
uit
levende
cellen
en
bloedplasma.
-‐ 55%
bloedplasma
• 92%
Water
• 7%
Plasmaeiwitten
• 1%
Andere
opgeloste
stoffen
(elektrolyten,
voedings-‐
en
afvalstoffen)
-‐ 45%
Levende
cellen
• Bloedcellen
• Celfragmenten
De
plasmaeiwitten
bestaan
uit:
• Albumine
(60%)
-‐
Voor
het
regelen
van
de
osmotische
druk
• Globuline
(35%)
-‐
Voor
antilichamen
en
transport
van
globuline
• Fibrinogeen
(4%)
-‐
Is
een
bloedstollingsfactor
,De
celfragmenten
bestaan
uit:
1. Trombocyten
(=
Bloedplaatjes)
(<0,1%)
Met
membraan
omgeven
celfragmenten
die
enzymen
bevatten
die
belangrijk
zijn
voor
de
bloedstolling.
De
bloedcellen
bestaan
uit:
1. Leukocyten
(=Witte
bloedcellen)
(<0,1%)
Voor
verdediging
van
het
lichaam
tegen
ziekteverwekkers.
-‐>
Worden
verderop,
meer
behandeld
2. Erytrocyten
(=Rode
bloedcellen)
(99,9%)
Gespecialiseerde
cellen
die
essentieel
zijn
voor
de
transport
van
zuurstof
en
koolstofdioxide
in
het
bloed.
Hematocriet
=
Het
percentage
vol
bloed
dat
wordt
ingenomen
door
erytrocyten.
• Bij
mannen:
46%
(Doordat
mannen
androgeenhormonen
bevatten,
die
de
productie
stimuleren.
Vb.
testosteronhormoon)
• Bij
vrouwen:
42%
• Moet
ongeveer
5
miljoen
per
microliter
bloed
zijn
Erytrocyten:
• Sterven
na
120
dagen
• Worden
gevormd
in
het
Rode
beenmerg
(=
erytropoëse)
(wervels,
ribben,
schouderbladen,
bekken,
borstbeen
en
proximale
beenderen)
Echter
kan
het
rode
beenmerg
niks
vormen
zonder
ijzer,
foliumzuur
en
vitamine
B12
• Meer
dan
95%
bestaat
uit
Hemoglobine
eiwit
(Hb).
Hemoglobine
bevat
een
ijzer
ion,
wat
zich
bindt
aan
zuurstof.
(Nodig
voor
zuurstoftransport
in
het
bloed)
• Anemie
(bloedarmoede)
ontstaat
als
je
te
weinig
erytrocyten
en/of
te
weinig
Hb
in
je
bloed
heb.
Dit
kan
komen
door
een
verhoogd
bloedverlies,
verhoogde
afbraak
van
erytrocyten
door
het
immuunsysteem
of
te
weinig
bouwstenen
(zoals
EPO-‐hormoon*)
• Hb
dat
vrijkomt
uit
dode
erytrocyten
wordt
hergebruikt
doordat
het
in
de
lever
verpakt
wordt
in
een
transporteiwit
(transferrine)
die
het
terugbrengt
naar
het
rode
beenmerg.
*EPO-‐hormoon
stimuleert
de
aanmaak
van
rode
bloedcellen.
(Is
ook
een
androgeenhormoon)
Het
ontstaan
van
bloedcellen:
, Het
stelpen
van
bloed:
1. Vaatvernauwing
rond
de
wond
(=
Vasoconstrictie
fase)
o Het
bloed
er
moeilijker
door
heen
kan
stromen
2. Bloedplaatjesfase
(Prop
van
bloedplaatjes
rond
de
wond)
o De
bloedplaatjes
gaan
aan
de
beschadigde
oppervlaktes
kleven
(15
sec
na
verwonding)
3. Coagulatiefase
a. Instrieke
keten:
Bloedstolling
op
gang
brengen
d.m.v.
componenten
die
zich
al
in
het
bloed
bevinden.
Hierbij
worden
pro-‐enzymen
geactiveerd
b. Extrinsieke
keten:
Beschadigd
weefsel
of
cellen
geven
lipoproteïne
af.
Hoe
meer
lipoproteïnes,
hoe
sneller
de
stolling
verloopt
c. Gemeenschappelijke
keten:
o Protrombine
wordt
trombine,
trombine
wordt
fibrine
o Fibrinogeen
wordt
fibrine
(door
factor
10).
Hierdoor
ontstaan
draden
rond
de
wond,
waar
alles
aan
blijft
plakken
(=fibrinenetwerk)
è Als
1
van
de
ketens
niet
werkt,
werken
ze
allemaal
niet!
4. Retractie
van
het
stolsel
o Samentrekken
van
de
bloedplaatjes
waardoor
de
wondranden
naar
elkaar
toe
groeien
5. Fibrinolyse:
Stolsel
lost
langzaam
op
door
plasmine
en
plasminogeen
De
bloedstelping
bestaat
uit
fase
1
t/m
3.
Nummer
4
en
5
zijn
gevolgen
van
het
stelpen.
Kalium
en
Calcium
zijn
ook
heel
belangrijk
bij
de
bloedstolling.
De
bouw
van
bloedvaten:
De
wanden:
1. Tunica
Intima
=
De
binnenste
laag
van
het
bloedvat
met
elastische
vezels,
endotheel*-‐
en
onderste
bindweefsel
2. Tunica
Media
=
Middelste
laag
met
glad
spierweefsel,
elastische
vezels
en
collageen.
(Wanneer
glad
spierweefsel
ontspant
-‐>
vaatverwijding)
3. Tunica
Externa
=
De
buitenste
laag
bindweefsel
*
Het
endotheel
is
een
laagje
cellen
in
het
hart,
lymfe
en
bloedvaten.
Slagaders
(Arteriën):
-‐ Vervoert
bloed
vanuit
de
linkerhartkamer
naar
de
organen.
Hierbij
bevat
het
bloed
water,
voedingsstoffen
en,
met
uitzondering
van
de
longslagader,
zuurstof
-‐ Rond
de
long
zijn
de
slagaders
het
dikst
-‐ Ader
met
de
letter
A
ervoor,
zijn
slagader
-‐ Dikke,
gekartelde
wand
-‐ Druk
in
bloedvat
=
120
over
35
mmhg.
Deze
is
hoog
doordat
de
linkerkamer
veel
kracht
moet
zetten
om
het
bloed
door
het
hele
lichaam
te
pompen
Capillairen:
-‐ Hier
vind
de
uitwisseling
van
zuurstof
en
koolstofdioxide
plaats
-‐ Capillairen
bestaat
uit
alleen
de
Tunica
Intima
als
wand
-‐ De
toegang
tot
de
capillairen
wordt
gereguleerd
door
de
capillaire
sfincter.
Deze
kringspier
bepaald
hoeveel
zuurstof
en
voedingsstoffen
in
het
capillair
gaan
en
hoeveel
koolstofdioxide
en
afvalstoffen
eruit
gaan.
è De
capillaire
sfincter
is
glad
spierweefsel
en
wordt
dus
gereguleerd
door
het
autonome
zenuwstelsel