1.3
Voeding
Stegeman
Hoofdstuk
10.5,
18.3,
19,
21,
31,
32.1,
33.4,
35.1
&
35.2
Hoofdstuk
10.5
Essentiële
hypertensie
Hypertensie
betekend
een
te
hoge
bloeddruk.
Er
is
sprake
van
hypertensie
als
de
bloeddruk
≥140/90
mmHg
(systolisch/diastolisch)
is.
Voor
gezonde
mensen
van
60
jaar
en
ouder,
geldt
een
grens
van
160
mmHg
systolisch.
Er
wordt
altijd
een
gemiddelde
genomen
van
drie
metingen
over
een
periode
van
enkele
metingen.
Of
vijf
metingen
over
een
periode
van
zes
maanden.
Hypertensie
komt
voor
bij
15%
van
de
NL’se
bevolking
en
90%
hiervan
heeft
last
van
essentiële
hypertensie
wat
inhoud
dat
de
hoge
bloeddruk
niet
het
gevolg
is
van
een
duidelijke
oorzaak/oorzaken.
Er
zijn
geen
tot
weinig
symptomen,
maar
op
lange
duur
kan
dit
leiden
tot
ernstige
complicaties:
hersenbloeding,
hartinfarct,
decompensatio
cordis,
nierfunctiestoornissen
en
netvliesbeschadigingen.
Een
verhoogde
systolische
druk
is
een
iets
betere
voorspeller
voor
deze
complicaties
dan
de
diastolische
druk.
Wanneer
er
ernstige
artherosclerose
in
het
spel
is,
is
alleen
de
systolische
druk
van
belang
omdat
de
diastolische
druk
daalt
door
een
slechtere
toestand
van
de
bloedvaten
en
het
hart.
Bij
essentiële
hypertensie
is
er
geen
duidelijk
aanwijsbare
oorzaak,
maar
zijn
vele
factoren
belangrijk.
De
belangrijkste
zijn:
overgewicht,
weinig
lichamelijke
activiteit
en
een
hoge
natriumconsumptie.
Ook
spelen
de
alcoholconsumptie,
lage
inname
van
kalium,
calcium,
magnesium,
visolie
en
voedingsvezel
en
de
hoge
inname
van
koffie
een
rol.
De
belangrijkste
voedingsfactoren
zijn:
o Overgewicht
o Hoeveelheid
natrium
in
de
voeding
o Alcoholconsumptie
o Hoeveelheid
kalium
en
andere
elektrolyten
in
de
voeding
-‐Overgewicht
verhoogd
de
kans
op
het
ontstaan
van
een
te
hoge
bloeddruk.
Wanneer
deze
mensen
afvallen,
neemt
ook
de
bloeddruk
af
met
gemiddeld
1,6
mmHg/1,3
mmHg
per
1
kg
afname.
-‐
Er
bestaan
veel
individuele
verschillen
op
het
gebied
van
de
natriuminname
en
de
gevolgen
voor
de
bloeddruk.
Er
zijn
‘zoutgevoelige’
mensen
en
ook
niet
gevoelige
mensen
voor
zout.
Een
derde
van
de
NL’se
bevolking
zou
zoutgevoelig
zijn.
-‐
Uit
onderzoek
is
gebleken
het
alcoholgebruik
de
bloeddruk
beïnvloed
bij
gebruik
van
meer
dan
drie
consumpties
per
dag.
Veel
drinken
in
korte
tijd
vergroot
de
kans
op
het
ontstaan
van
een
hartinfarct
en
een
hersenbloeding.
Matig
alcoholgebruik
verlaagt
de
kans
op
hart-‐
en
vaatziekten.
-‐
Het
kaliumgehalte
van
de
voeding
heeft
een
beschermende
werking
tegen
de
bloeddruk
verhogende
werking
van
natrium.
Er
zijn
echter
nog
weinig
concrete
adviezen
te
geven
doordat
er
weinig
gegevens
beschikbaar
zijn
voor
het
voorkomen
van
een
hypertensie.
Bij
calcium
en
magnesium
worden
ook
verbanden
gevonden
met
kalium.
Voeding
met
veel
groente,
fruit
en
vetarme
zuivelproducten
zouden
de
bloeddruk
moeten
laten
dalen
van
personen
met
hypertensie.
Om
hypertensie
te
voorkomen
is
het
belangrijk
om
op
je
, gewicht
te
letten,
niet
te
veel
zout
in
te
nemen
en
het
alcoholgebruik
de
matigen.
Een
behandeling
van
hypertensie
bestaat
uit
een
aantal
leefstijladviezen.
Wanneer
dit
geen
effect
heeft,
kunnen
er
medicijnen
aan
te
pas
komen.
Meer
bewegen,
stoppen
met
roken
en
voedingsadviezen
zijn
belangrijk
voor
het
veranderen
van
de
leefstijl.
De
inname
van
natrium
komt
voor
3%
uit
water,
17%
uit
natrium
uit
natuurlijk
voedsel,
30%
uit
’huishoudelijk’
toegevoegd
natrium
en
50%
uit
bedrijfsmatig
toegevoegd
natrium.
De
behoefte
aan
natrium
is
zo
laag
dat
deze
snel
gehaald
wordt
door
de
van
natuurlijk
aanwezige
zouten
in
voeding.
Het
overige
natrium
belast
het
lichaam
en
vooral
de
nieren.
Hypertensie
kan
ook
veroorzaakt
worden
door
het
eten/drinken
van
veel
drop
of
zoethout(thee)
omdat
ze
veel
glycyrhizine
bevatten.
Deze
stof
heeft
op
lange
duur
een
nadelige
invloed
op
de
nierwerking
waardoor
er
hypertensie
en
oedeem
ontstaan.
Iedereen
is
anders
gevoelig
voor
glycyrrhizine,
maar
mensen
met
een
te
hoge
bloeddruk
of
oedeemvorming
wordt
aangeraden
het
gebruik
van
drop
en
zoethoutproducten
te
beperken.
Hoofdstuk
18.3
Voeding
bij
slechte
eetlust
Anorexie
is
een
ander
woord
voor
slechte
eetlust.
Mensen
die
last
hebben
van
anorexie
hebben
weinig
trek
en
ze
hebben
snel
last
van
een
‘vol
gevoel’.
Het
eten
kan
slecht
gaan
smaken
en
mensen
kunnen
misselijk
worden
waardoor
ze
nog
weer
minder
willen
eten.
Ziekte
is
een
van
de
belangrijkste
oorzaak
van
een
slechte
eetlust
door
verschillende
factoren
als
pijn,
angst,
immobiliteit,
koorts
en
infecties.
Patiënten
met
maag-‐darm-‐,
lever-‐
of
nieraandoeningen
zijn
ook
nog
misselijk
waardoor
de
eetlust
wordt
verslechterd.
Mensen
met
een
ontregelde
diabetes
hebben
een
slechte
eetlust
door
het
hoge
ketonengehalte
in
het
bloed.
Ook
kankerpatiënten
hebben
vaak
een
slechte
eetlust.
Depressieve
patiënten
vormen
een
aparte
groep,
omdat
ze
een
extreem
slechte
eetlust
kunnen
hebben
en
zichzelf
kunnen
verhongeren
tot
langzame
zelfdoding.
Geneesmiddelen
en
therapieën
kunnen
ook
eetlustremmend
zijn
zoals
antidepressiva
en
radiotherapie
van
het
maag-‐darmgebied.
Een
opname
in
een
instelling
werkt
negatief
op
de
eetlust
omdat
dit
zorgt
voor
angst,
spanningen
en
ander
voedsel
dan
gewend.
In
een
ziekenhuis
hangt
ook
een
sfeer
van
ziekte
en
de
maaltijden
worden
op
bed
gebracht
met
eventueel
storende
factoren
om
je
heen
van
andere
patiënten.
Wanneer
een
patiënt
in
een
goede
voedingstoestand
verkeert,
is
het
geen
probleem
om
een
korte
tijd
weinig
te
eten
(max
7-‐10
dagen,
5
dagen
bij
ernstig
ziek
zijn).
Het
is
altijd
belangrijk
dat
een
patiënt
genoeg
vocht
binnen
krijgt
omdat
de
vocht-‐
en
elektrolytenbalans
snel
is
verstoord
door
bv
koorts,
transpiratie,
braken
en/of
diarree.
De
gevolgen
bij
een
langdurige
anorexie
zijn
ernstig,
omdat
het
herstelvermogen
afneemt
en
de
kans
op
complicaties
toeneemt.
Een
slechte
voedingstoestand
leidt
tot
zwakte
en
apathie,
waardoor
de
eetlust
nog
verder
vermindert.