3.4.1 Inleiding.
Week 1
Het Omgevingsrecht regelt de ordening en bescherming van de leefomgeving. Naast
het waterrecht, het milieurecht en het natuurbeschermingsrecht bestaat
omgevingsrecht uit ruimtelijk bestuursrecht. Tot dit recht behoren de Wet ruimtelijke
ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), grote delen van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), en delen van de Woningwet. Het
inleidende college wordt benut om het doel en de functie van het ruimtelijk
bestuursrecht toe te lichten. Net als het overige bestuursrecht biedt het ruimtelijk
bestuursrecht instrumenten aan de overheid om het ruimtelijk beleid vorm te geven.
Daarnaast biedt het recht een waarborg voor de burger tegen dit overheidsingrijpen,
vooral door middel van inspraakprocedures bij de totstandkoming van plannen.
Tijdens het college wordt kort de ontwikkeling van het ruimtelijk bestuursrecht tijdens
de vorige eeuw geschetst. De huidige Wro en de Woningwet komen aan de orde.
Ook de relatie met de WABO zal kort worden toegelicht. Er zal worden ingegaan op
de drie niveaus waarop ruimtelijke plannen voorkomen. De structuurvisie als
beleidsinstrument is deze week het hoofdonderwerp.
Week 2
De belangrijkste sturingsfilosofie van de Wro is dat duidelijk wordt wie op welk niveau
waarvoor verantwoordelijk is. De gedachte achter de Wro is: ‘decentraal wat kan,
centraal wat moet’. Het zwaartepunt van het ruimtelijk beleid ligt bij de gemeente. Dat
gemeentelijk beleid krijgt vorm door structuurvisies en bestemmingsplannen.
Bestemmingsplannen zijn bedoeld om ruimtelijke functies juridisch vast te leggen. De
inhoud en systematiek van het bestemmingsplan komt deze week aan de orde. Als in
een gebied geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, en het beleid erop gericht is
de bestaande situatie vast te leggen, kan de gemeente gebruik maken van de
beheersverordening. Hiermee wordt de bestaande situatie planologisch geregeld.
Week 3
De omgevingsvergunning die betrekking heeft op de activiteit bouwen staat deze
week centraal. De bouwvergunning was vroeger geregeld in de Woningwet . Per 1
oktober 2010 is de bouwvergunning verdwenen. Deze ging op in de
omgevingsvergunning. Hierdoor moeten we voor het beoordelen van een aanvraag
voor een omgevingsvergunning die betrekking heeft op bouwen kijken in de Wabo en
daarop gebaseerde regels in Bor (besluit omgevingsrecht). Daarbij zullen we
aandacht besteden aan enkele hoofdvragen. Wat is bouwen eigenlijk? Wat zijn
bouwwerken en gebouwen? Welke bouwactiviteiten zijn vergunningvrij? Welke rol
speelt beleid bij de vergunningverlening? Aan het eind van de les ken je de relatie
tussen het bouwen en het bestemmingplan, en weet je op hoofdlijnen welk beleid
van toepassing is rond de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Week 4
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen slechts worden gerealiseerd als voor de
betreffende locatie een passend bestemmingsplan is gemaakt. Soms gaat het om
een heel nieuw plan. Doorgaans is er sprake van een ‘herziening’ van het bestaande
bestemmingsplan. Deze bestemmingsplanprocedure komt deze week aan bod.
Hierbij wordt niet alleen de formele procedure belicht, ook het noodzakelijke
vooronderzoek komt aan bod.
, De bestemmingsplanprocedure duurt ten minste een half jaar. Als iemand bezwaar
heeft tegen de ontwikkelingen, of er is nader onderzoek vereist, kan de termijn
zomaar flink uitlopen. Tijdens de bestemmingsplanprocedure wil de gemeente
voorkomen dat er op basis van het oude plan nog snel bestemmingen worden
gerealiseerd die onder het toekomstige plan zullen worden verboden. Daarom kan de
gemeente een ‘voorbereidingsbesluit’ nemen. Dit instrument komt ook deze week
ook aan de orde.
Week 5
Het rijk en de provincie hebben invloed op het ruimtelijk beleid van de gemeenten en
op de gewenste ruimtelijke ordening. Hoewel de gemeente centraal staan bij het
voeren van ruimtelijk beleid kan dit beleid op een aantal manieren worden beïnvloed
als provinciale- en rijksbelangen hierom vragen. Een aantal instrumenten waarover
provincie en rijk beschikken komt deze week aan de orde. In de eerste plaats de
bevoegdheid van provincie en rijk om beleid vast te leggen in structuurvisies. In de
tweede plaats komt de bevoegdheid om algemene regels te stellen omtrent de
inhoud van bestemmingsplannen aanbod, en vervolgens de mogelijkheid om
aanwijzingen te geven aan de gemeente. Tenslotte, in de vierde plaats, wordt de
bevoegdheid om inpassingsplannen te maken toegelicht.
Week 6
Flexibiliteit van het bestemmingsplan kan op een aantal manieren worden verkregen.
Door de opzet en de inhoud van het plan zelf, bijvoorbeeld via globale
bestemmingen, of door middel van een uitwerkingsplicht. In de tweede plaats kan
van het bestemmingsplan worden afgeweken door middel van binnenplanse
mogelijkheden tot afwijking. Ook verschillende vormen van buitenplanse
bevoegdheden zijn mogelijk. Deze mogelijkheden uit de WABO vervangen de
regeling uit de Wro: ontheffingen en het projectbesluit
Week 7
In het college van deze week staat de planschade centraal. Een bestemmingsplan of
een ander besluit op grond van de Wro kan (plan)schade veroorzaken. In de Wro is
dit uitgewerkt in hoofdstuk 6. In de eerste plaats komt aan de orde welke 7 oorzaken
aanleiding kunnen zijn voor schadevergoeding. Voorts komen begrippen als
‘voorzienbaarheid’ en ‘toerekening’ aan de orde. Hierbij wordt aan de hand van
actuele jurisprudentie een beeld geschetst van de mogelijkheden tot
planschadevergoeding. Tenslotte wordt de procedure voor planschadevergoeding
toegelicht.
3.4.2 Doelstellingen.
De student kan:
de verschillende juridische instrumenten die een rol spelen bij het ruimtelijk
bestuursrecht onderscheiden, en bepalen welk bestuursorgaan bevoegd is
deze instrumenten in te zetten;
aan de hand van een casus beredeneren onder welke omstandigheden de
hiervoor bedoelde instrumenten kunnen worden ingezet;
de totstandkomingsprocedures van het ruimtelijke bestuursrecht waarover
gemeente, provincie en rijk beschikken onderscheiden, en een
beargumenteerd oordeel geven over de toepasbaarheid;
een onderbouwde mening geven over de omstandigheden onder welke
afgeweken mag worden van bepalingen in een bestemmingsplan;