Sociaal-economische ongelijkheid
Standen en kasten
Geestelijkheid
Adel
Boeren
Klassentegenstellingen
Stratificatie
Klassentegenstellingen (Marx)
Klassentegenstellingen
Kapitaal tegen over arbeid
Geen kapitaal zonder arbeid
Sociale ongelijkheid vanuit marixstische ideologie:
2 klassen staan principieel tegenover elkaar
Sociologisch perspectief: conflictmodel.
Stratificatie
Sociale lagen door status
Afgeleid van beroep, inkomen en opleiding
Klassen
Bovenlaag
Ondernemersklasse/middenstand
Middenklasse
Arbeidersklasse
Onderklasse
Sociale mobiliteit
In een standenmaatschappij is weinig sociale mobiliteit, bijvoorbeeld:
Horizontale mobiliteit
Verticale mobiliteit
INTRAgeneratiemobiliteit: binnen eigen beroepsleven
INTERgeneratiemobiliteit: kinderen t.o.v. ouders, tussen generaties
Meritocratie: samenleving waarin je een sociale positie verwerft door eigen
talenten, intelligentie en opleiding.
Inkomensongelijkheid
Scheve inkomensverdeling
Nivellering
Armoede
Nieuwe armoede + working poor
Sociaal isolement, sociale participatie
Permanent
, Ervaren gezondheid <-> SES
Sociaal-economische status
Bepaald door verdeling
Kennis
Arbeid
Bezit
Indicatoren
Inkomensniveau
Beroepsstatus
Hoogte inkomen
Betekenis voor verpleegkundige
Preventieprogramma’s echt laten aansluiten bij een achterstandsgroep.
Zorg afstemmen op zorgbehoeften van mensen met andere culturele
achtergronden.
Meewerken aan facetbeleid
Ontwikkeling verzorgingsstaat
1784: maatschappij tot Nut van het Algemene
Tot eind 19e eeuw
Minimale voorzieningen
Paternalistische behandeling
Gebruik was stigmatiserend
Laatste decennia 19e eeuw
Sociale wetgeving kwam op gang
Verzorgingsstaat: gezondheidszorg
14e eeuw: voorkomen van epidemieën
De tweede helft van de 19e eeuw: sociaal bewogen medici
Ongezonde arbeidsomstandigheden in fabrieken
Armzalige huisvesting
Professionalisering geneeskundigen door gezondheidswet 1865.
Begrippenlijst
Sociale ongelijkheden
Agisme – een vorm van discriminatie waarbij onterecht onderscheid wordt
gemaakt tussen mensen op grond van leeftijdscriteria.
Allochtonen – benaming voor dat deel van de Nederlandse bevolking die
als arbeidsmigranten uit het mediterrane gebied zijn gekomen of als
‘rijksgenoten’ van het Koninkrijk der Nederlanden of als vluchtelingen naar
Nederland zijn gekomen.
Aristocratie – de benaming van een kleine groepering, de hoger standen,
die in de standenmaatschappij de regerende elite vormde.
Conjuncturele werkloosheid – de benaming van de vorm van
werkeloosheid die voortkomt uit tijdelijke, kort-cyclische schommelingen in
de economie en die de vraag naar werknemers beïnvloedt. Conjuncturele
werkloosheid is altijd van tijdelijke aard.
Standen en kasten
Geestelijkheid
Adel
Boeren
Klassentegenstellingen
Stratificatie
Klassentegenstellingen (Marx)
Klassentegenstellingen
Kapitaal tegen over arbeid
Geen kapitaal zonder arbeid
Sociale ongelijkheid vanuit marixstische ideologie:
2 klassen staan principieel tegenover elkaar
Sociologisch perspectief: conflictmodel.
Stratificatie
Sociale lagen door status
Afgeleid van beroep, inkomen en opleiding
Klassen
Bovenlaag
Ondernemersklasse/middenstand
Middenklasse
Arbeidersklasse
Onderklasse
Sociale mobiliteit
In een standenmaatschappij is weinig sociale mobiliteit, bijvoorbeeld:
Horizontale mobiliteit
Verticale mobiliteit
INTRAgeneratiemobiliteit: binnen eigen beroepsleven
INTERgeneratiemobiliteit: kinderen t.o.v. ouders, tussen generaties
Meritocratie: samenleving waarin je een sociale positie verwerft door eigen
talenten, intelligentie en opleiding.
Inkomensongelijkheid
Scheve inkomensverdeling
Nivellering
Armoede
Nieuwe armoede + working poor
Sociaal isolement, sociale participatie
Permanent
, Ervaren gezondheid <-> SES
Sociaal-economische status
Bepaald door verdeling
Kennis
Arbeid
Bezit
Indicatoren
Inkomensniveau
Beroepsstatus
Hoogte inkomen
Betekenis voor verpleegkundige
Preventieprogramma’s echt laten aansluiten bij een achterstandsgroep.
Zorg afstemmen op zorgbehoeften van mensen met andere culturele
achtergronden.
Meewerken aan facetbeleid
Ontwikkeling verzorgingsstaat
1784: maatschappij tot Nut van het Algemene
Tot eind 19e eeuw
Minimale voorzieningen
Paternalistische behandeling
Gebruik was stigmatiserend
Laatste decennia 19e eeuw
Sociale wetgeving kwam op gang
Verzorgingsstaat: gezondheidszorg
14e eeuw: voorkomen van epidemieën
De tweede helft van de 19e eeuw: sociaal bewogen medici
Ongezonde arbeidsomstandigheden in fabrieken
Armzalige huisvesting
Professionalisering geneeskundigen door gezondheidswet 1865.
Begrippenlijst
Sociale ongelijkheden
Agisme – een vorm van discriminatie waarbij onterecht onderscheid wordt
gemaakt tussen mensen op grond van leeftijdscriteria.
Allochtonen – benaming voor dat deel van de Nederlandse bevolking die
als arbeidsmigranten uit het mediterrane gebied zijn gekomen of als
‘rijksgenoten’ van het Koninkrijk der Nederlanden of als vluchtelingen naar
Nederland zijn gekomen.
Aristocratie – de benaming van een kleine groepering, de hoger standen,
die in de standenmaatschappij de regerende elite vormde.
Conjuncturele werkloosheid – de benaming van de vorm van
werkeloosheid die voortkomt uit tijdelijke, kort-cyclische schommelingen in
de economie en die de vraag naar werknemers beïnvloedt. Conjuncturele
werkloosheid is altijd van tijdelijke aard.