Biologie voor jou (bvj) Boek 2A havo/vwo
Release 8.1 isbn: 9789402072785
Basisstof 1 t/m 6
Extra stof 7 en 8
Basisstof 1 Stofwisseling
Leg fotosynthese • Bladgroenkorrels zetten koolstofdioxide
uit. en water om in glucose.
– Daarvoor is energie nodig. Die energie
komt uit zonlicht.
– Fotosynthese: water + koolstofdioxide +
energie → glucose + zuurstof
– Glucose is een energierijke stof.
Leg uit wat er • Cellen gebruiken glucose als energiebron.
gebeurt bij de – Bij de afbraak van glucose komt de opgeslagen energie vrij.
afbraak van – De energie die vrijkomt, wordt gebruikt voor de stofwisseling in de cel.
glucose. – De afbraak van glucose gebeurt in mitochondriën.
Basisstof 2 Verbranding
Leg het verband uit • De afbraak van glucose in cellen noem je verbranding.
tussen verbranding – Glucose is de meest gebruikte brandstof in cellen.
in cellen en – Bij verbranding komt energie vrij, bijv. beweging en warmte.
lichamelijke • In alle cellen van organismen vindt verbranding plaats.
activiteit. – Verbranding vindt voortdurend plaats, dag en nacht.
• Je energiebehoefte is o.a. afhankelijk van je lichamelijke inspanning.
– Hoe groter de lichamelijke inspanning, hoe meer verbranding er plaatsvindt.
– Er is dan meer brandstof en zuurstof nodig. Ook ontstaan er meer afvalstoffen.
– Organen zoals de longen en het hart werken dan harder.
Wat wordt er Verbruikt: brandstof (glucose in dit geval) + zuurstof
verbruikt bij Ontstaat: water, koolstofdioxide (co2), energie
verbranding en wat • Voor de verbranding van een brandstof is zuurstof nodig.
ontstaat er? • Verbranding in een cel: glucose + zuurstof → water + koolstofdioxide + energie
, Basisstof 3 Het ademhalingsstelsel
Benoem de delen • Het ademhalingsstelsel bestaat voor een groot deel uit buisjes die zijn bekleed
van het met slijmvlies.
ademhalingsstelsel – Aan het slijm blijven ziekteverwekkers en stofdeeltjes plakken.
met hun – Trilharen transporteren het slijm naar de keelholte waar het wordt ingeslikt.
kenmerken en • Neusholte:
functies. – Neusharen houden grote stofdeeltjes tegen.
Binnenstromende lucht wordt door het neusslijmvlies verwarmd en vochtig
gemaakt.
– Het reukzintuig keurt de binnenstromende lucht.
• Keelholte: hierin bevinden zich de huig en het strotklepje.
– Bij het ademhalen staan de huig en het strotklepje open.
– Bij het slikken sluit de huig de neusholte af en sluit het strotklepje de luchtpijp
af.
– Verslikken: het strotklepje sluit de luchtpijp niet af tijdens het slikken.
• Luchtpijp en bronchiën:
– De wand is verstevigd door hoefijzervormige kraakbeenringen die de luchtpijp
openhouden.
– De luchtpijp vertakt zich in bronchiën die met kraakbeenringen zijn verstevigd.
• Luchtpijptakjes: vertakkingen van de bronchiën.
– De wanden van de kleine luchtpijptakjes bevatten spiertjes.
• Aan het uiteinde van de luchtpijptakjes zitten longblaasjes.
– Longblaasjes zijn omgeven door kleine bloedvaatjes: de longhaarvaten.
Het
ademhalingsstelsel
van de mens
(schematisch)
Huig en strotklepje
bij ademen, slikken
en verslikken.