rol van coach
De student kan kenschetsen wat coaching inhoudt, algemeen en
in de context van de verpleegkundige beroepspraktijk.
Coachen is een andere helpen om het werk goed te doen. Het begeleiden,
opleiden, aanwijzingen geven en feiten aanreiken. Coaching is sturen zonder de
baas te spelen.
De coach ondersteunt een individu of groep om resultaten te bereiken en zich te
ontwikkelen.
Coachen kan zowel gaan over kennis en vaardigheden als over gedrag,
gewoontes en emoties.
In de verpleegkundige setting: coaching is gerelateerd aan
zorgprogrammering, verpleegbeleid en werkbegeleiding. Andere collega’s helpen
bij het realiseren van doelstellingen in het zorgprogramma of het verpleegbeleid.
*zorgprogrammering = onderbrengen van samenhangende zorgactiviteiten in
een programma; het bedenken, uitwerken en regie voeren over een aantal
gespecificeerde en samenhangende verpleegkundige activiteiten.
*verpleegbeleid = alle maatregelen die nodig zijn om het verpleegplan of de
verschillende verpleegplannen te concretiseren
De student kan vier basiselementen van coachen benoemen en
uitleggen:
Coachen:
1. Stelt de gecoachte centraal: inlevingsvermogen en empathie
2. Richt zich op ontwikkeling en transfer
3. Richt zich op motivatie en plezier in het werk + relatie met de cultuur van
een afdeling, team, organisatie
4. Is vooral analyseren en communiceren, waarmee de coach onzichtbaar de
regie over de begeleiding voert.
De student kan kenmerken van een competente coach benoemen,
(algemeen en in de verpleegkundige beroepspraktijk).
Kerncompetenties:
Zorgprogrammering en verpleegbeleid:
Om de doelen van het verpleegbeleid en de zorgprogramma’s te
realiseren, kan de hbo-verpleegkundige andere verpleegkundigen en
verzorgenden helpen en steunen bij het uitvoeren van de vastgestelde
taken en functies.
Werkbegeleiding:
Om stagiaires en collega’s te steunen in hun proffesionele identiteit, staat
de hbo-verpleegkundige de collega met raad en daad ter zijde.
, Het profiel van de verpleegkundige als coach: de essentiële aspecten
van de vier onderdelen (houding, vaardigheden, kennisdomeinen en
complexiteit)
De houding van een coach:
• Mensgerichte grondhouding: gericht op het welzijn van andere mensen in
zorg en onderwijs.
• Echtheid (congruentie tussen denken en voelen aan de ene kant en gedrag
aan de andere kant.
• Acceptatie; begrip en respect voor de ander zijn waarden en waardigheid
• Empathie; vermogen om de gevoelens en emoties van een andere persoon
aan te voelen en te begrijpen en dit begrip naar de anderte uiten.
• Veiligheid, vertrouwen en zekerheid bieden
• Positieve insteek; benoemen van zaken die nog ontwikkeld moeten worden
als aanvulling op wat iemand al kan.
• Beschikbaarheid en aandacht; niet al te snel ingrijpen of situatie
overnemen.
De vaardigheden van een coach:
Methodisch werken: stap voor stap de situatie analyseren, behoeften en
problemen bepalen, doelen formuleren en interventies plannen om deze
doelstellingen te behalen.
Communiceren: kunnen en durven stellen van vragen. Feedback geven en
spiegelen. Gesprek structureren. Actief luisteren.
Motiveren: beroep doen op de drijfveren die een individu tot een bepaald
gedrag aanzetten.
Extrinsieke motivatie – motivatie ligt bij beloning en erkenning.
Intrinsieke motivatie – motivatie ligt in eigen intresse en overtuiging.
Een coach moet positieve gevoelens bevorderen en de nadruk leggen op
wat er al is en wat goed gaat.
Creëren van leersituaties
Kennisdomeinen:
Afbakende aandachtsgebieden; zie vormen een instrument om kennis te
bundelen rond bepaalde thema’s.
Kennis van communicatievaardigheden en –technieken:
Kennis van verbale en non-verbale communicatie
Kennis van taalvaardigheden (spreken, lezen, schrijven)
Kennis van feedback geven en ontvangen, het stellen van vragen en
samenvatten
Kennis van informatieoverdracht (zoals voorlichten en instrueren)
Kennis van het eigen functioneren:
Kennis van reflectie en reflectiemethoden
Kennis van methodieken om te bepalen wat de eigen waarden en normen
zijn en hoe ze het functioneren beïnvloeden