Natuurkunde Samenvatting H2
2.1
Om geluid te horen heb je nodig :
1. Geluidsbron
2. Tussenstof
3. Ontvanger
Geluid is een trilling, dus een beweging die zich steeds herhaalt
rondom een evenwichtsstand. De evenwichtsstand is een
plek waar een trillend voorwerp tot stilstand komt. De
amplitude van een trilling is de afstand van de
evenwichtsstand tot het omkeerpunt. In dit plaatje
is periode de trillingstijd
De frequentie van een toon is het aantal geluidstrillingen per seconde. Aan
frequentie kun je zien hoe hoog of laag een toon is. Frequentie geeft je aan met de
eenheid Hertz (Hz). De frequentie bereken je door f = 1 : T
De trillingstijd van een toon is de tijd die voor één volledige trilling nodig is. Aan de
trillingstijd kun je zien hoe hard of zacht een toon is. Trillingstijd geef je aan met de
eenheid Decibel (dB). De trillingstijd bereken je door T = 1 : f
2.3
Met een oscilloscoop kun je geluid registeren zodat je het nog een keer kan horen.
Met deze beelden kun je de frequentie en de amplitude bepalen. Op het scherm van
de oscilloscoop zie je trillingen, dit
komt doordat een microfoon het
geluid opvangt en doorgeeft aan de
oscilloscoop. Bij het aflezen geldt :
- Hoe meer trillingen op het
scherm, hoe groter de
frequentie.
- Hoe hoger de toppen, hoe
groter de amplitude.
Rekenvoorbeeld : er zijn 10 hokjes en 1 hokje staat voor 1 ms. Er zijn dus 10 ms in
totaal. Op het scherm zie je 2 trillingen, om de frequentie te bepalen doe je :
Een trilling duurt dus 10:2 = 5 ms = 5:1000 = 0,005 s.
F = 1 : T = 1 : 0,005 = 200 Hz
Met een geluidssensor kun je geluidstrillingen opslaan. Op een computer kun je de
frequentie minder goed aflezen tenzij je het beeld vergroot, dan kun je het juist heel
nauwkeurig aflezen.
2.1
Om geluid te horen heb je nodig :
1. Geluidsbron
2. Tussenstof
3. Ontvanger
Geluid is een trilling, dus een beweging die zich steeds herhaalt
rondom een evenwichtsstand. De evenwichtsstand is een
plek waar een trillend voorwerp tot stilstand komt. De
amplitude van een trilling is de afstand van de
evenwichtsstand tot het omkeerpunt. In dit plaatje
is periode de trillingstijd
De frequentie van een toon is het aantal geluidstrillingen per seconde. Aan
frequentie kun je zien hoe hoog of laag een toon is. Frequentie geeft je aan met de
eenheid Hertz (Hz). De frequentie bereken je door f = 1 : T
De trillingstijd van een toon is de tijd die voor één volledige trilling nodig is. Aan de
trillingstijd kun je zien hoe hard of zacht een toon is. Trillingstijd geef je aan met de
eenheid Decibel (dB). De trillingstijd bereken je door T = 1 : f
2.3
Met een oscilloscoop kun je geluid registeren zodat je het nog een keer kan horen.
Met deze beelden kun je de frequentie en de amplitude bepalen. Op het scherm van
de oscilloscoop zie je trillingen, dit
komt doordat een microfoon het
geluid opvangt en doorgeeft aan de
oscilloscoop. Bij het aflezen geldt :
- Hoe meer trillingen op het
scherm, hoe groter de
frequentie.
- Hoe hoger de toppen, hoe
groter de amplitude.
Rekenvoorbeeld : er zijn 10 hokjes en 1 hokje staat voor 1 ms. Er zijn dus 10 ms in
totaal. Op het scherm zie je 2 trillingen, om de frequentie te bepalen doe je :
Een trilling duurt dus 10:2 = 5 ms = 5:1000 = 0,005 s.
F = 1 : T = 1 : 0,005 = 200 Hz
Met een geluidssensor kun je geluidstrillingen opslaan. Op een computer kun je de
frequentie minder goed aflezen tenzij je het beeld vergroot, dan kun je het juist heel
nauwkeurig aflezen.