Maatschappijleer H2: Rechtsstaat
Paragraaf 1: Recht en Rechtvaardigheid
Waarom een rechtsstaat?
● Bescherming van burgers tegen de staat.
● Gevoel van onrechtvaardigheid voorkomen.
Rechtsgebieden
Publiekrecht → Rechtsregels over de relatie tussen overheid en burger (en organisaties/bedrijven).
Privaatrecht → Rechtsregels over de relatie tussen burgers (en organisaties/bedrijven) onderling.
Publiekrecht → Staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht.
Privaatrecht → Personen- en familierecht, ondernemingsrecht, vermogensrecht.
Staatsrecht
● De grondwet! Welke grondrechten hebben burgers?
● Hoe is onze staat ingericht?
➔ Welke macht hebben overheidsorganen als de Tweede Kamer en de regering?
➔ Trias politica
➔ Hoe worden verkiezingen gehouden?
Bestuursrecht
● Wetsregels die gelden tussen overheids-instellingen en burgers (of bedrijven/organisaties)
● Bijvoorbeeld:
➔ Vergunningen voor burgers en bedrijven.
➔ Sociale zekerheidsrecht.
➔ Vreemdelingenrecht.
➔ Belastingrecht.
Strafrecht
● Wat gebeurt er met mensen die strafbare feiten plegen?
● Wetboek van strafrecht en wetboek van strafvordering
● Zowel kleine overtredingen (door rood rijden) als zware misdrijven (moord).
● Altijd een zaak tussen Openbaar Ministerie en burger (of bedrijf / organisatie).
Personen- en familierecht
● Wetsregels met betrekking tot familiaire (of relationele) verhoudingen tussen mensen.
● Bijvoorbeeld:
➔ Geboorte (afstamming)
➔ Huwelijk
➔ Overlijden
➔ Scheiding
➔ Voogdij
, Ondernemingsrecht
● Wetsregels die gelden voor (de rechtsvorm van) bedrijven en organisaties.
● Bijvoorbeeld:
➔ De rechten van verschillende bedrijfsvormen: ZZP, BV, NV, VOF, stichting, etc.
➔ Wat gebeurt er als eens bedrijf wordt overgenomen of failliet gaat?
Vermogensrecht
● Wetsregels die direct of indirect te maken hebben met geld (vermogen).
● Bijvoorbeeld:
➔ Koopovereenkomst.
➔ Huurovereenkomst.
➔ Arbeidsovereenkomst.
Paragraaf 2: De grondbeginselen
Grondbeginselen rechtsstaat
● Kenmerken:
➔ Het beginsel van de trias politica.
➔ Het beginsel van grondrechten=>grondwet.
➔ Het legaliteitsbeginsel.
Trias politica
Wetgevende macht → Regering (1e & 2e kamer).
Uitvoerende macht → Regering (Ministers).
Rechterlijke macht → Rechters.
Drie machten
Wetgevende macht:
● Taak: maakt wetten.
● Parlement beslist wel of niet door te stemmen.
● Parlement controleert of uitvoerende macht goed zijn werk doet.
Uitvoerende macht:
● Taak: voert wetten uit.
● Is verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur in het land.
● Geeft leiding aan ambtenaren.
Rechterlijke macht:
● Taak: rechtspraak.
● Beoordeelt of mensen een straf moeten krijgen.
● Geeft oordeel als burgers, bedrijven en overheid een conflict hebben.
Paragraaf 1: Recht en Rechtvaardigheid
Waarom een rechtsstaat?
● Bescherming van burgers tegen de staat.
● Gevoel van onrechtvaardigheid voorkomen.
Rechtsgebieden
Publiekrecht → Rechtsregels over de relatie tussen overheid en burger (en organisaties/bedrijven).
Privaatrecht → Rechtsregels over de relatie tussen burgers (en organisaties/bedrijven) onderling.
Publiekrecht → Staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht.
Privaatrecht → Personen- en familierecht, ondernemingsrecht, vermogensrecht.
Staatsrecht
● De grondwet! Welke grondrechten hebben burgers?
● Hoe is onze staat ingericht?
➔ Welke macht hebben overheidsorganen als de Tweede Kamer en de regering?
➔ Trias politica
➔ Hoe worden verkiezingen gehouden?
Bestuursrecht
● Wetsregels die gelden tussen overheids-instellingen en burgers (of bedrijven/organisaties)
● Bijvoorbeeld:
➔ Vergunningen voor burgers en bedrijven.
➔ Sociale zekerheidsrecht.
➔ Vreemdelingenrecht.
➔ Belastingrecht.
Strafrecht
● Wat gebeurt er met mensen die strafbare feiten plegen?
● Wetboek van strafrecht en wetboek van strafvordering
● Zowel kleine overtredingen (door rood rijden) als zware misdrijven (moord).
● Altijd een zaak tussen Openbaar Ministerie en burger (of bedrijf / organisatie).
Personen- en familierecht
● Wetsregels met betrekking tot familiaire (of relationele) verhoudingen tussen mensen.
● Bijvoorbeeld:
➔ Geboorte (afstamming)
➔ Huwelijk
➔ Overlijden
➔ Scheiding
➔ Voogdij
, Ondernemingsrecht
● Wetsregels die gelden voor (de rechtsvorm van) bedrijven en organisaties.
● Bijvoorbeeld:
➔ De rechten van verschillende bedrijfsvormen: ZZP, BV, NV, VOF, stichting, etc.
➔ Wat gebeurt er als eens bedrijf wordt overgenomen of failliet gaat?
Vermogensrecht
● Wetsregels die direct of indirect te maken hebben met geld (vermogen).
● Bijvoorbeeld:
➔ Koopovereenkomst.
➔ Huurovereenkomst.
➔ Arbeidsovereenkomst.
Paragraaf 2: De grondbeginselen
Grondbeginselen rechtsstaat
● Kenmerken:
➔ Het beginsel van de trias politica.
➔ Het beginsel van grondrechten=>grondwet.
➔ Het legaliteitsbeginsel.
Trias politica
Wetgevende macht → Regering (1e & 2e kamer).
Uitvoerende macht → Regering (Ministers).
Rechterlijke macht → Rechters.
Drie machten
Wetgevende macht:
● Taak: maakt wetten.
● Parlement beslist wel of niet door te stemmen.
● Parlement controleert of uitvoerende macht goed zijn werk doet.
Uitvoerende macht:
● Taak: voert wetten uit.
● Is verantwoordelijk voor het dagelijkse bestuur in het land.
● Geeft leiding aan ambtenaren.
Rechterlijke macht:
● Taak: rechtspraak.
● Beoordeelt of mensen een straf moeten krijgen.
● Geeft oordeel als burgers, bedrijven en overheid een conflict hebben.