22 vragen + antwoorden
, 1. Wat houdt het resistentiecriterium bij dyslexie in?
a. Dat het leesniveau significant lager is dan verwacht mag worden
b. Dat het probleem blijft bestaan ondanks adequate instructie
c. Dat het probleem moeilijkheden veroorzaakt bij dagelijkse taken
d. Dat andere oorzaken kunnen worden uitgesloten
2. Wat is niet waar over context bij het lezen?
a. Het werkt inhiberend, waardoor woorden als andere woorden worden gelezen
b. Het werkt inhiberend, wat zorgt voor een beter begrip van de tekst
c. Het kan zorgen voor een beter begin van een woord
3. Wat past bij ‘tekens omzetten naar klanken’?
a. Orthografische kennis
b. Fonologisch bewustzijn
c. Decoderen
d. Foneemanalyse
4. Wat is niet waar over dyslectici in culturen met consistente orthografie?
a. Zij het lezen via letter-klankkoppeling
b. Zij maken evenveel fouten als niet-dyslectici
c. Zij hebben als volwassene problemen met fonologisch bewustzijn
d. Zij lezen trager dan niet-dyslectici
5. Het snel kunnen vaststellen van hoeveelheden zonder te tellen is:
a. Subiteren
b. Schatten
c. Getalbesef
d. Basale rekenvaardigheid
6. Wat is geen essentieel kenmerk van tellen?
a. Één-één correspondentie
b. Abstractie
c. Ieder object wordt eenmaal aangewezen
d. Kardinaliteit
7. De telstrategie 4+2 = 4 5 6 is de:
a. Counting-all; max-procedure
b. Counting-all; min-procedure
c. Counting-on; max-procedure
d. Counting-on; min-procedure