Begrippenlijst A/B
Anatomie
Doel ademhaling
Dient voor de gaswisseling: het uitwisselen van zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2).
Adenosinetrifosfaat (ATP)
De cel heeft de energie uit het ATP nodig voor; celgroei, productie van hormonen en
spijsverteringsenzymen, cel herstel en in het algemeen voor het laten verlopen van vele
scheikundige reacties in de cel.
Functies van de ademhaling
Zorgen dat de gaswisseling zo effectief mogelijk verloopt door het oppervlak waarmee
gaswisseling kan gebeuren zo groot mogelijk te maken.
De lucht moet af en toe ververst worden zodat het aanbod van zuurstof voldoende blijft en de
afvoer van CO2 gegarandeerd kan worden.
Het oppervlak moeten we in optimale vorm houden zodat de gaswisseling effectief kan
verlopen.
We gebruiken ons ademhalingsstelsel om mee te communiceren met onze stem.
Reuk is ook onderdeel van ons ademhalingsstelsel deze functies zie je dan ook terug in de
anatomie van de luchtwegen.
Anatomie ademhalingsstelsel
Bovenste luchtwegen
Onderste luchtwegen
Pulmonale circulatie
De pulmonale circulatie of longcirculatie is de kleine
circulatie. In de kleine bloedsomloop komt
zuurstofarm bloed binnen in de rechterboezem van
het hart. De klep tussen de rechterboezem en -
kamer opent en het bloed stroomt naar de
rechterkamer. Het hart pompt het bloed via de
rechterkamer en de longslagader naar de longen.
Daarna komt het via de longader in de
linkerboezoem terrecht waarna het via de
linkerkamer de aorta in gepompt wordt.
Regulatie van de ademhaling
De ademhaling wordt geregeld door het ademhalingscentrum. Dit is een netwerk van zenuwcellen
in het onderste deel van de hersenen, de zogeheten hersenstam (medulla oblongata). Het
ademhalingscentrum regelt zowel de start van de in- en uitademingsfasen als de overgang van
inademing naar uitademing. De zenuwprikkels die in het ademhalingscentrum binnenkomen, zijn
afkomstig van de longen, de borstkas en ‘lichaampjes’ in de halsslagader en de aorta. Het
ademhalingscentrum stuurt zelf zenuwprikkels naar de ademhalingsspieren. De prikkels die het
ademcentrum afgeeft worden voortgeleid via de intercostale zenuwen, die de buitenste
tussenribspieren (intercostaalspieren) aansturen.
De prikkels worden ook voortgeleid via de nervus phrenicus die via het ruggenmerg, dat door de
borstholte naar het middenrif loopt en dit aanstuurt.
Ademhalingscentrum
Het ademhalingscentrum bestaat uit verscheidene groepen van neuronen die gelokaliseerd zijn in
de medulla oblongata en de pons.
Deze neuronen zorgen voor de regulatie van de ademhaling. Er kan een onderscheid gemaakt
worden tussen drie groepen neuronen
Dorsale ademhalingsgroep (in het dorsale gedeelte van de medulla oblongata) die
voornamelijk zorgt voor inademing.
, Ventrale ademhalingsgroep (in het ventrolaterale gedeelte van de medulla oblongata) die
zorgt voor zowel in- als uitademing.
Pneumotaxische centrum (in het dorsaal gedeelte van de pons), dat zorgt voor de
ademhalingsfrequentie.
Centrale en perifere chemosensoren, reksensoren
Centrale chemosensoren gelegen in de hersenstam, reageren op een verandering van de
concentratie CO2 en de pH van de liquor.
Perifere receptoren gelegen in de aortaboog en beide carotiden zijn gevoelig voor de CO2-
concentratie en pH van het bloed.
Veranderingen in de arteriële PCO2 (= zuur) leiden tot veranderingen in H+ (= zuur) concentratie
en hiermee tot prikkeling van centrale en perifere chemoreceptoren. In de hersenstam wordt deze
informatie verwerkt en op basis hiervan worden de ademhalingsspieren aangestuurd. Hoe hoger
de concentratie H+ ionen, des te meer worden de ademhalingsspieren gestimuleerd (om
verzuring tegen te gaan).
Pleura
De vliezen om de longen heen. Je hebt er twee. De pleura visceralis (binnste) en de pleura
pariëtalis (buitenste).
Ademhalingsspieren
Dit zijn de middenrifspieren, buikspieren, de binnenste en buitenste tussenribspieren en de
supraclaviculaire – boven het sleutelbeen gelegen – spieren.
Surfactant
Surfactant zorgt ervoor dat de wand van de longen een spanning krijgen waardoor deze goed
ontplooien bij de inademing.
Longvolumes
Onze longen hebben een inhoud van 5 tot 7 liter. Het ademvolume (AV) is de hoeveelheid lucht
die in rust wordt uit- en ingeademd. Als we in rust zijn, ademen we maar een klein deel van de
totale longinhoud in en uit.
Anatomie
Doel ademhaling
Dient voor de gaswisseling: het uitwisselen van zuurstof (O2) en koolstofdioxide (CO2).
Adenosinetrifosfaat (ATP)
De cel heeft de energie uit het ATP nodig voor; celgroei, productie van hormonen en
spijsverteringsenzymen, cel herstel en in het algemeen voor het laten verlopen van vele
scheikundige reacties in de cel.
Functies van de ademhaling
Zorgen dat de gaswisseling zo effectief mogelijk verloopt door het oppervlak waarmee
gaswisseling kan gebeuren zo groot mogelijk te maken.
De lucht moet af en toe ververst worden zodat het aanbod van zuurstof voldoende blijft en de
afvoer van CO2 gegarandeerd kan worden.
Het oppervlak moeten we in optimale vorm houden zodat de gaswisseling effectief kan
verlopen.
We gebruiken ons ademhalingsstelsel om mee te communiceren met onze stem.
Reuk is ook onderdeel van ons ademhalingsstelsel deze functies zie je dan ook terug in de
anatomie van de luchtwegen.
Anatomie ademhalingsstelsel
Bovenste luchtwegen
Onderste luchtwegen
Pulmonale circulatie
De pulmonale circulatie of longcirculatie is de kleine
circulatie. In de kleine bloedsomloop komt
zuurstofarm bloed binnen in de rechterboezem van
het hart. De klep tussen de rechterboezem en -
kamer opent en het bloed stroomt naar de
rechterkamer. Het hart pompt het bloed via de
rechterkamer en de longslagader naar de longen.
Daarna komt het via de longader in de
linkerboezoem terrecht waarna het via de
linkerkamer de aorta in gepompt wordt.
Regulatie van de ademhaling
De ademhaling wordt geregeld door het ademhalingscentrum. Dit is een netwerk van zenuwcellen
in het onderste deel van de hersenen, de zogeheten hersenstam (medulla oblongata). Het
ademhalingscentrum regelt zowel de start van de in- en uitademingsfasen als de overgang van
inademing naar uitademing. De zenuwprikkels die in het ademhalingscentrum binnenkomen, zijn
afkomstig van de longen, de borstkas en ‘lichaampjes’ in de halsslagader en de aorta. Het
ademhalingscentrum stuurt zelf zenuwprikkels naar de ademhalingsspieren. De prikkels die het
ademcentrum afgeeft worden voortgeleid via de intercostale zenuwen, die de buitenste
tussenribspieren (intercostaalspieren) aansturen.
De prikkels worden ook voortgeleid via de nervus phrenicus die via het ruggenmerg, dat door de
borstholte naar het middenrif loopt en dit aanstuurt.
Ademhalingscentrum
Het ademhalingscentrum bestaat uit verscheidene groepen van neuronen die gelokaliseerd zijn in
de medulla oblongata en de pons.
Deze neuronen zorgen voor de regulatie van de ademhaling. Er kan een onderscheid gemaakt
worden tussen drie groepen neuronen
Dorsale ademhalingsgroep (in het dorsale gedeelte van de medulla oblongata) die
voornamelijk zorgt voor inademing.
, Ventrale ademhalingsgroep (in het ventrolaterale gedeelte van de medulla oblongata) die
zorgt voor zowel in- als uitademing.
Pneumotaxische centrum (in het dorsaal gedeelte van de pons), dat zorgt voor de
ademhalingsfrequentie.
Centrale en perifere chemosensoren, reksensoren
Centrale chemosensoren gelegen in de hersenstam, reageren op een verandering van de
concentratie CO2 en de pH van de liquor.
Perifere receptoren gelegen in de aortaboog en beide carotiden zijn gevoelig voor de CO2-
concentratie en pH van het bloed.
Veranderingen in de arteriële PCO2 (= zuur) leiden tot veranderingen in H+ (= zuur) concentratie
en hiermee tot prikkeling van centrale en perifere chemoreceptoren. In de hersenstam wordt deze
informatie verwerkt en op basis hiervan worden de ademhalingsspieren aangestuurd. Hoe hoger
de concentratie H+ ionen, des te meer worden de ademhalingsspieren gestimuleerd (om
verzuring tegen te gaan).
Pleura
De vliezen om de longen heen. Je hebt er twee. De pleura visceralis (binnste) en de pleura
pariëtalis (buitenste).
Ademhalingsspieren
Dit zijn de middenrifspieren, buikspieren, de binnenste en buitenste tussenribspieren en de
supraclaviculaire – boven het sleutelbeen gelegen – spieren.
Surfactant
Surfactant zorgt ervoor dat de wand van de longen een spanning krijgen waardoor deze goed
ontplooien bij de inademing.
Longvolumes
Onze longen hebben een inhoud van 5 tot 7 liter. Het ademvolume (AV) is de hoeveelheid lucht
die in rust wordt uit- en ingeademd. Als we in rust zijn, ademen we maar een klein deel van de
totale longinhoud in en uit.