Inleiding
Geïntegreerde bestrijding (in het Engels ‘Integrated Pest Management, IPM) is een strategie waarbij
men ernaar streeft het gebruik van schadelijke bestrijdingsmiddelen en methoden tot een minimum
te beperken door het treffen van de juiste preventieve maatregelen en door verantwoorde omgang
met de collecties.
Insecten
Het lichaam bestaat uit drie delen:
kop – met ogen, bijtende of stekende monddelen en voelsprieten
of antennes;
borststuk of thorax – verdeeld in drie segmenten, aan ieder zit
een paar poten, vaak zitten er aan de achterste segmenten een
of twee paar vleugels;
achterlijf of abdomen – verdeeld in segmenten, die ieder twee
ademopeningen hebben waardoor zuurstof wordt opgenomen
die via een buizen- of tracheeënstelsel naar de organen wordt
vervoerd.
Voor een eenvoudige identificatie van insecten wordt gebruik
gemaakt van de opvallende uiterlijke kenmerken zoals poten,
antennes, lichaamsvorm en grootte, kleur en beharing.
Insecten worden ingedeelt in: volledige metamorfoze (zoals vlinders en vliegen) Uit het eitje komt
een kleine larve die vreet en groeit en een aantal keren vervelt. Dit is het schadelijke stadium. Als de
larve groot genoeg is, verpopt die zich en gedurende een periode van schijnbare rust vindt er een
volledige gedaanteverandering plaats, waarna het volwassen insect uit de pop komt. De volwassen
insecten veroorzaken vaak geen schade.
en onvolledige metamorfoze ( kakkerlakken, kevers, franjestaarten, sprinkhanen) Uit het eitje komt
een kleine nimf, die al op de volwassen vorm lijkt maar in een aantal stadia groeit en steeds vervelt.
Na de laatste vervelling heeft het dier alle volwassen eigenschappen (vleugels etc.) en is het
vruchtbaar. Zowel nimf als volwassen dier vreten en veroorzaken schade
Om in leven te blijven, hebben insecten nodig:
– zuurstof
– voedsel
– warmte ( Insecten blijven in leven bij een temperatuur van 5-45°C, maar hun ontwikkeling
is optimaal bij 15-35°C.)
– vocht (De meeste insecten kunnen zich ontwikkelen bij een RV van 50-90%; het optimum
ligt rond de 70%. Sommige soorten hebben zich aangepast aan droge omstandigheden,
andere hebben een hoge RV nodig (zilvervisjes))
– licht ( Licht bepaalt vaak het gedrag van insecten. Volwassen tapijtkevers vliegen op het
licht af, terwijl zilvervisjes en motten juist lichtschuw zijn. Het gedrag kan een belangrijke
rol spelen bij het detecteren. )
– beschutting ( Het gedrag wordt ook bepaald door de behoefte aan beschutting. Kakkerlakken
kruipen weg in richels en kieren. Franjestaarten zoeken beschutting en lopen langs de
plinten van de ruimte.)
, Op grond van de schade die ze veroorzaken en hun gedrag zijn de insecten in te delen in vier typen,
de ‘4 B’s’: boorders, bijters, bewoners en bezoekers.
Boorders:
Dit zijn insecten die tot diep in het voorwerp doordringen. Meestal vormen de uitvliegopeningen en
het boormeel dat uit de gangen valt, de eerste aanwijzingen voor een aantasting en voor identificatie
van de soort. Bestrijding van boorders vergt een methode die tot de kern van het voorwerp
doordringt. Voorbeelden van dit type zijn houtwormen en andere klopkevers, knaagkevers en
boktorren.
Bijters:
Dit zijn insecten die met name het oppervlak van een voorwerp aanvreten. De larven leven op en
soms een beetje in het voorwerp. Zij knagen door of grazen over het materiaal. Schade valt op door
gaten en kale plekken in het materiaal, het afval dat de larven produceren en door spinsel en cocons
op het voorwerp. Bestrijding richt zich op behandeling van de voorwerpen. Voorbeelden van dit
type zijn tapijtkevers en motten.
Bewoners:
Dit zijn insecten die ergens in de ruimte leven, rondkruipen en zich voeden met het materiaal van de
collectie zonder echt in de voorwerpen te leven. Dit zijn met name dieren die een onvolledige
metamorfose doorlopen. Ze veroorzaken vraatschade en bevuilen de voorwerpen met uitwerpselen,
maagsappen en vet. Vaak veroorzaken ze ook stank in de collectie. Aanwezigheid van deze insecten
hangt meestal samen met de omstandigheden in de collectieruimte of in de verpakking
(microklimaten). Bestrijding van dit type richt zich op het veranderen van de omstandigheden in de
ruimte zodat de dieren zich er niet meer thuis voelen (stap 1), veelal betekent dat verlaging van de
relatieve luchtvochtigheid (RV) en mogelijk ook van de temperatuur (T), en op het weren van de
dieren uit het gebouw (stap 2). Voorwerpen en ruimte moeten goed worden schoongemaakt en
eventueel worden behandeld. Voorbeelden van dit type zijn franjestaarten (zilver-, papier- en
ovenvisjes), kakkerlakken, boek- en stofluizen.
Bezoekers:
Dit zijn alle insecten die men in de ruimte aantreft maar die geen directe schade aan de collectie
veroorzaken. Ze komen toevallig binnen, op zoek naar voedsel of een schuilplaats om te
overnachten of te overwinteren. Hun aanwezigheid is een aanwijzing voor ‘lekken’ in het gebouw.
Als zij binnen kunnen komen, kunnen schadelijke insecten dat ook. Bovendien kunnen ze indirect
schade veroorzaken door vervuiling, ook kunnen ze als ze dood gaan wel schadelijke insecten
aantrekken, of schimmels aantrekken. (dienend als voedsel) Bestrijding richt zich vooral op het
weren van de insecten uit het gebouw (stap 2). Voorbeelden van dit type insect zijn (gaas)vliegen,
wespen en lieveheersbeestjes.
In de meeste gevallen biedt de combinatie van schade aan de collectie en aangetroffen
insecten(resten) voldoende aanknopingspunten om te bepalen met welk type insect men te maken
heeft.