In veel ruimtes worden dan ook met behulp van thermohygrografen en/of dataloggers temperatuur (T) en
relatieve luchtvochtigheid (RV) continu geregistreerd.
In deze brochure presenteren wij een stappenplan waarmee een meetstrategie kan worden ontwikkeld zodat
er betekenisvolle dataregistratie plaatsvindt. Er worden zeven stappen onderscheiden:
1Waarom wil je iets weten?
2Verzamelen van algemene informatie over de locatie, situatie
3Wat wil je precies meten?
4Waar moet dan worden gemeten?
5 Hoe kan het best worden gemeten?
6 Resultaten verwerken en interpreteren
7 Actie ondernemen
De bouwschil
Het gebouw is een fysieke scheiding tussen buiten- en binnenklimaat. De kwaliteit van de bouwschil in
termen van beglazing, warmte- en vochtisolatie, warmte- en vochtbuffering, ventilatie en mate van lekheid
(infiltratie) bepaalt in welke mate het buitenklimaat naar binnen wordt doorgegeven.
Vochtbronnen geven vocht af aan de lucht en de mate waarin dat gebeurt, hangt af van de capaciteit.
Bekende vochtbronnen zijn lekkages, bezoekers en luchtbevochtigers.
Vocht kan ook worden afgevoerd door zogenaamde vochtputten. Voorbeelden van vochtputten zijn (mobiele)
ontvochtigers en condensatieprocessen, zoals op enkel glas in de winter. Hierbij dient te worden opgemerkt,
dat er ook condensatie elders in de bouwschil kan plaatsvinden waar het niet direct zichtbaar is.
De bouwmassa, het interieur en de collectie vormen ook belangrijke vochtbronnen of –putten. Het
evenwichtsvochtgehalte van alle aanwezige hygroscopische materialen verandert bij een veranderende
relatieve luchtvochtigheid.
Gebouwen met dikke muren en weinig glasoppervlak, zoals kastelen en kloosters, hebben een grote
thermische massa en zullen na afkoeling in de winter, relatief koel blijven gedurende de zomer en slechts
heel langzaam opwarmen. Hierdoor worden dagelijkse temperatuurfluctuaties van het buitenklimaat op het
binnenklimaat vrijwel geheel opgevangen. De invloed van seizoenen wordt gedempt: het gebouw is ‘s
zomers koel en ’s winters relatief warm.
Er kunnen ook plaatselijk afwijkende klimaatcondities heersen. De temperatuur kan lokaal oplopen doordat
zonnestraling het vertrek binnentreedt en een deel van een object, wand of vloer opwarmt. Ook kan warmte
afgegeven worden door verlichting zoals halogeen, zeker wanneer deze geplaatst is in een afgesloten
ruimte, zoals een vitrine. Ook bezoekers geven warmte af. Maar de meest voorkomende warmtebron is de
radiator.
Bij 100% bevat de lucht de maximale hoeveelheid vocht bij die temperatuur dit wordt ook wel het dauwpunt
genoemd. Daarboven zal het vocht uit de lucht condenseren en als mist zichtbaar worden.
Bij gelijkblijvende absolute vochtigheid zal de relatieve luchtvochtigheid dalen bij toename van de
temperatuur (lijn AC) en stijgen bij een afname van de temperatuur (lijn AD). Als de temperatuur aan een
oppervlak lager wordt dan ongeveer 7°C (punt E) zal het vocht in de lucht condenseren en als water langs
het oppervlak stromen. (Hoort bij afbeelding psychrometische kaart)
zie ook afbeelding 3
Het 7 stappenplan
1Waarom wil je iets weten?
In deze stap wordt de eigenlijke reden voor het doen van de metingen geformuleerd: de onderzoeksvraag.
(voorbeelden: • Hoe komt het binnenklimaat tot stand in een specifieke ruimte? Wat zijn de typische
gemiddelde waarden en fluctuaties in een specifieke ruimte?
• Wat zijn de heersende klimaatzones in het gebouw? Er kan gekeken worden hoe ruimtes elkaar
beïnvloeden en hoe deze het meest optimaal gebruikt kunnen worden voor het opslaan of presenteren van
collectie. • Controle van de werking van getroffen maatregelen.)
, 2Verzamelen van algemene informatie over de locatie, situatie
Voordat begonnen kan worden met het nadenken over het binnenklimaat in een specifieke situatie verdient
het aanbeveling de factoren die het binnenklimaat bepalen in kaart te brengen.
• Warmtebronnen, zoals lampen, radiatoren, kachels, verlichting, randapparatuur en oppervlakken waarop
direct zonlicht valt
• Koude plekken, zoals (dunne) buitenmuren, kelders en enkel glas
• Mogelijke vochtige locaties, zoals garderobe, museumcafé en kelders
• Mobiele klimaatsbeheersingsapparatuur, zoals airconditioningunits,
be- en ontvochtigers
• Inblaaspunten voor de klimaatsbeheersing
3Wat wil je precies meten?
Binnenklimaat
De traditionele en nog veel gebruikte thermohygrograaf bestaat uit twee pennetjes die op een langzaam
roterend papier een lijntje trekken. Het ene pennetje is verbonden aan een asje dat beweegt door krimp of
uitzetting van paardenhaar als gevolg van opname of afgifte van vocht en het tweede pennetje is verbonden
aan metalen plaatje dat tot een cirkel is verbogen en dat door temperatuurwisselingen krimpt of uitzet.
Met een digitale handmeter kunnen momentopnames van de temperatuur en relatieve luchtvochtigheid
gemaakt worden. Met een datalogger kunnen met een gekozen interval meetgegevens worden opgeslagen
zodat het verloop in de tijd kan worden gevolgd.
Nadeel digitale dataloggers is echter dat collectiebeheerders niet meer zelfstandig kunnen kalibreren en het
blijkt in praktijk lastig om te geregistreerde data om te zetten in overzichtelijke en begrijpelijke plaatjes.
Vooral thermohygrografen zijn gevoelig voor schokken en kunnen na een schok afwijkende waarden
aangeven.
Naast het meten van de relatieve luchtvochtigheid en de temperatuur kunnen echter ook andere metingen
worden gedaan die bijdragen aan kennis over het binnenklimaat. Dit type metingen wordt meestal niet door
erfgoedinstellingen uitgevoerd. Over het algemeen worden deze metingen door professionals gedaan als er
een probleem is gesignaleerd met het klimaat dat niet direct verklaard kan worden vanuit de
klimaatmetingen. Hierna wordt een aantal besproken.
– Meten van oppervlaktetemperatuur
In een (museale) ruimte die in de winter bevochtigd wordt tot bijvoorbeeld 50%, resulteert een lokaal
lage oppervlaktetemperatuur in een lokaal hoge relatieve luchtvochtigheid. Gebruikmakend van
afbeelding 2 kan worden herleid dat in een verwarmde ruimte (20°C) bij een relatieve
luchtvochtigheid van 50% (punt A in afbeelding 2) condensatie kan optreden als de oppervlakte
temperatuur lager is dan ongeveer 9,3°C (punt E in afbeelding 2)
infraroodcamera
– Oppervlaktemeting relatieve luchtvochtigheid
Om het vochtgehalte in een materiaal niet destructief te kunnen meten kan met een vochtmeter een
elektrisch veld in het materiaal worden opgewekt. (meting wordt beinvloed door aanwezigheid van
zouten)
Nemen van boormonsters waarbij het boorgruis wordt gewogen, gedroogd en nogmaals gewogen.
Het verschil tussen de wegingen is de hoeveelheid water in het materiaal.
– Meten van het vochtgehalte in muur/vloeren
deze meting zou een indicatie kunnen geven of er zich in de muur of vloer een mogelijke vochtbron
bevindt
– Menselijk comfort
Er zijn naast de temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid nog drie soorten metingen die kunnen
worden gedaan om inzicht te krijgen in deze aspecten van menselijk comfort: het ventilatievoud, de
luchtsnelheid en het CO2 gehalte.
– Meten van het ventilatievoud
Het ventilatievoud is een maat voor hoe lek een gebouw, ruimte of ander afgesloten volume, zoals
een vitrine, is. Het ventilatievoud is het getal dat aangeeft hoeveel keer per uur (of per dag voor zeer
afgesloten volumes) de ruimte van lucht wordt voorzien. Daar waar veel mensen samenkomen is
een hoog ventilatievoud noodzakelijk om te voorkomen dat de lucht muf wordt.
Het ventilatievoud kan gemeten worden door een zogenaamd tracer-gas in de ruimte in te brengen
en de afname daarvan in de tijd te meten. Ook kan het ventilatievoud worden bepaald door de
afname van CO2 na een evenement te meten. Een vergelijkbare analyse kan worden uitgevoerd
door naar het absolute vochtgehalte te kijken.