1. Inleiding tot de sociale psychologie....................................................................7
1.1 Wat is sociale psychologie............................................................................. 7
1.1.1 Wat kunnen we over sociale invloed vertellen?.......................................7
1.1.2 Waarin verschilt sociale psychologie van de meest verwante discipline?
......................................................................................................................... 7
1.2 De macht van de situatie.............................................................................. 8
1.3 macht van sociale interpretatie.....................................................................8
1.4 Waar constructen vandaan komen: fundamentele menselijke motieven......8
1.4.1 De benadering vanuit zelfachting: de behoefte om ons goed te voelen
over onszelf...................................................................................................... 8
1.4.2 De benadering vanuit sociale cognitie, de behoefte om accuraat waar te
nemen.............................................................................................................. 9
1.4.3 aanvullende motieven............................................................................. 9
1.5 Sociale psychologie en maatschappelijke problemen...................................9
H3 Sociale cognitie: hoe we denken over de sociale wereld................................10
3.1 De sociale denker........................................................................................ 10
3.2 op de automatische piloot: denken zonder inspanning...............................10
3.2.1 mensen als alledaagse theoretici: automatisch denken met schema’s 10
3.2.2 Het zit niet alleen in ons hoofd: metaforen over lichaam en geest
primen............................................................................................................ 13
3.2.2 mentale strategieën.............................................................................. 13
3.2.4 De invloed van onbewust denken.........................................................14
3.2.5 culturele verschillen in sociale cognitie.................................................14
3.3 gecontroleerde sociale cognitie: ingespannen denken...................................15
3.3.1 Gecontroleerd denken en vrije wil.........................................................15
3.3.2 het verleden mentaal ongedaan maken: tegen feitelijk redeneren.......15
3.3.3 gedachteonderdrukking en ironische verwerking.................................15
3.3.4 beter leren denken................................................................................ 15
3.4 Terug naar Watson...................................................................................... 15
4. Sociale perceptie: hoe wij anderen begrijpen...................................................16
4.1 non-verbale communicatie..........................................................................16
4.1.1 Gezichtsuitdrukkingen van emoties......................................................16
4.1.2 Cultuur en de vormen van non-verbale communicatie.........................16
4.2 Impliciete persoonlijkheidstheorieën: het invullen van open plekken.........17
, 4.3 Causale attributie: het beantwoorden van de ‘waarom’-vraag...................17
4.3.1 De aard van het attributieproces..........................................................17
4.3.2 Het covariatiemodel: interne versus externe attributies.......................17
4.3.3 de fundamentele attributiefout: de mens als persoonlijkheidspsycholoog
....................................................................................................................... 18
4.3.4 Culturele verschillen in sociale perceptie..............................................18
4.3.5 Zelfdienende attributies........................................................................19
4.4 Cultuur en andere attributionele biases......................................................19
H5. Het zelf: onszelf begrijpen in een sociale context..........................................20
5.1 De oorsprong van het zelf...........................................................................20
5.2 Zelfkennis.................................................................................................... 20
5.2.1 culturele verschillen in zelfdefinities.....................................................20
5.2.2 Genderverschillen in zelfdefinities........................................................20
5.2.3 zelfkennis door middel van introspectie................................................20
5.2.4 zelfkennis door middel van zelfobservatie............................................21
5.2.5 Dekkaders: inzicht in onze eigen capaciteiten......................................22
5.2.6 Andere mensen gebruiken voor zelfkennis...........................................22
5.3 zelfcontrole: de uitvoerende functie van het zelf:.......................................23
5.4 Impressiemanagement: de wereld is een schouwtoneel.............................24
5.4.1 Vleien en zelfsabotage..........................................................................24
5.5 zelfvertrouwen: hoe we over onszelf denken..............................................24
H6 De behoefte om ons handelen te rechtvaardigen...........................................25
6.1 Een stabiel, positief zelfbeeld in stand houden...........................................25
6.1.1 Cognitieve dissonantiehtheorie.............................................................25
6.1.2 Rationeel gedrag versus rationaliserend gedrag...................................26
6.1.3 Beslissingen, Beslissingen, Beslissingen...............................................26
6.2 Zelfrechtvaardiging in het dagelijks leven..................................................27
6.2.1 Je inspanning rechtvaardigen................................................................27
6.2.2 Externe versus interne rechtvaardiging................................................27
6.2.3 Straf en zelfovertreding........................................................................27
6.2.4 Counter attitudinal advocacy en hypocrisie toegepast op
maatschappelijke problemen.........................................................................28
6.2.5 Het hypocrisieparadigma......................................................................28
6.2.6 Goede en slechte daden.......................................................................28
6.3 waarom wil iemand een negatief zelfbeeld in stand houden?.....................28
6.3.1 consistentie van negatief zelfbeeld met immoreel gedrag...................28
, 6.3.2 ons zelfconcept bevestigen of verheffen...............................................29
6.4 Terug naar heaven’s gate............................................................................29
H7: attitudes en attitudeveranderingen: gedachten en gevoelens beïnvloeden.. 30
7.1. De aard en oorsprong van attitudes...........................................................30
7.1.1 Hoe ontstaan attitudes?........................................................................30
7.1.2 expliciete versus impliciete attitudes....................................................31
7.2 Hoe veranderen we attitudes......................................................................31
7.2.1 attitudes veranderen door gedrag te veranderen: opnieuw de cognitieve
dissonantietheorie......................................................................................... 31
7.2.2 persuasieve communicatie...................................................................32
7.2.3 emotie en attitudeverandering.............................................................33
7.2.4 vertrouwen op je eigen gedachten en attitudeverandering..................33
7.3 persuasieve boodschappen weerstaan.......................................................33
7.3.1 Attitudes resistent maken.....................................................................33
7.3.2 Alert zijn op product replacement.........................................................33
7.3.3 druk van leeftijdsgenoten weerstaan....................................................34
7.3.4 als persuasieve pogingen averechts werken: reactantietheorie...........34
7.4 wanneer voorspellen attitudes gedrag........................................................34
7.4.1 Spontaan gedrag voorspellen...............................................................34
7.4.2 Weloverwogen gedrag voorspellen.......................................................34
7.5 De macht van reclame................................................................................ 35
7.5.1 Hoe werkt reclame?.............................................................................. 35
7.5.2 Subliminale reclame: een vorm van gedachtebeheersing:...................35
7.5.3 Reclame, culturele stereotypen en sociaal gedrag................................35
H8 conformisme: sociale invloed en aanpassingen van gedrag...........................36
8.1 Conformisme: wanneer en waarom.............................................................36
8.2 Informationele sociale invloed: de behoefte om te weten wat ‘juist’ is.......36
8.2.1 Het belang van accuraat zijn.................................................................36
8.2.2 De schaduwzijde van informationeel conformisme...............................36
8.2.3 wanneer conformeren mensen zich aan informationele sociale invloed?
....................................................................................................................... 36
8.3 Normatieve sociale invloed: de behoefte om geaccepteerd te worden.......37
8.3.1 conformisme en sociale goedkeuring: de lijnexperimenten van Asch...37
8.3.2 Het belang van accuraat zijn, vervolg...................................................37
8.3.3 wat gebeurt als men normatieve sociale invloed weerstaat.................37
8.3.4 Normatieve sociale invloed in het dagelijks leven................................38
, 8.3.5 wanneer conformeren mensen zich aan normatieve sociale invloed....38
8.3.6 Minderheidsinvloed: als een paar mensen de meerderheid beïnvloeden
....................................................................................................................... 39
8.4 sociale invloed gebruiken om goed gedrag te stimuleren...........................39
8.4.1 de rol van injuctieve en descriptieve normen.......................................39
8.4.2 Gedragsverandering door middel van normen: pas op voor het
boemerangeffect............................................................................................ 39
8.5 Gehoorzamen aan gezag............................................................................ 39
Hoofdstuk 9 Groepsprocessen: invloed in sociale groepen...................................40
9.1 Wat is een groep?........................................................................................ 40
9.1.1 Groepskenmerken: wanner spreken we van een groep?.......................40
9.1.2 Waarom sluiten mensen zich bij groepen aan?.....................................40
9.1.3 Verschillende soorten groepen..............................................................40
9.1.4 Groepsontwikkeling............................................................................... 41
9.2 Groepen en het gedrag van individuen.......................................................41
9.2.1 Sociale facilitatie: als de aanwezigheid van anderen ons energie geeft41
9.2.2 Social loafing: als de aanwezigheid van anderen ons ontspannen maakt
....................................................................................................................... 42
9.2.3 De-individuatie: opgaan in de menigte.................................................42
9.3 Groepsbeslissingen: Zijn twee (of meer) personen beter dan één?............42
9.3.1 Procesverlies: als groepsinteracties goede probleemoplossing in de weg
staan.............................................................................................................. 42
9.3.2 Groepspolarisatie.................................................................................. 43
9.3.3 Leiderschap in groepen.........................................................................43
9.4 Conflicten en samenwerking.......................................................................44
9.4.1 Sociale dillema’s................................................................................... 44
9.4.2 Conflicten oplossen: dreigen of communiceren?...................................44
9.4.3 Onderhandelen en akkoorden sluiten...................................................44
9.5 Intergroepsprocessen: processen tussen groepen......................................44
11. Prosociaal gedrag: Waarom helpen mensen?.................................................45
11.1 Basismotieven voor prosociaal gedrag: waarom mensen helpen..............45
11.1.1 Evolutionaire psychologie: instincten en genen..................................45
11.1.2 Sociale uitwisseling: De kosten en baten van behulpzaamheid..........45
11.1.3 Empathie en altruïsme: het zuivere motief om te helpen...................46
11.2 Persoonlijke kwaliteiten en prosociaal gedrag: Waarom zijn sommige
mensen behulpzamer dan anderen?.................................................................46
11.2.1 Individuele verschillen........................................................................46
, 11.2.2 Genderverschillen in prosociaal gedrag..............................................46
11.2.3 Culturele verschillen in prosociaal gedrag..........................................46
11.2.4 Religie en prosociaal gedrag...............................................................46
11.2.5 De effecten van stemming op prosociaal gedrag................................46
11.3 Situationele determinanten van prosociaal gedrag: Wanneer helpen
mensen?............................................................................................................ 47
11.3.1 Omgeving: Platteland versus stad......................................................47
11.3.2 Mobiliteit van inwoners.......................................................................47
11.3.3 Het omstandereffect...........................................................................47
11.3.4 De aard van de relatie: communale relaties versus
uitwisselingsrelaties....................................................................................... 48
11.3.5 Effecten van de media: videogames en muziekteksten......................48
11.4 Hoe maak je mensen behulpzamer?.........................................................48
11.4.1 Zo zullen omstanders sneller ingrijpen...............................................48
11.4.2 Positieve psychologie en prosociaal gedrag........................................48
11.4.3 Spiegelen en prosociaal gedrag..........................................................48
12. Agressie en agressief gedrag.........................................................................49
12.1.1 Is agressie instinctief, situationeel of optioneel..................................49
12.1.2 cultuurperspectief voor agressie.........................................................49
12.1.3 Gender en agressie............................................................................. 49
12.1.4 enkele fysiologische invloeden op agressie.........................................50
12. 2 Sociale situaties en agressie....................................................................50
12.2.1 frustratie en agressie..........................................................................50
12.2.2 geprovoceerd worden en terugslaan...................................................50
12.2.3 Agressieve objecten als stimuli...........................................................50
12.3 Agressief gedrag aanleren........................................................................51
12.3.1 Geweld in de media............................................................................ 51
12.3.2 seksueel geweld tegen vrouwen.........................................................52
12.4 Het inperken van agressie.........................................................................52
12.4.1 Helpt straffen agressief gedrag tegengaan?.......................................52
12.4.2 Catharsis en agressie..........................................................................53
12.4.3 Wat moeten we met onze woede?......................................................53
12.5 Had het bloedbad op de Columbine High School voorkomen kunnen
worden?............................................................................................................ 54
13. Vooroordelen: oorzaken en oplossingen.........................................................55
13.1 Vooroordelen: een alomtegenwoordig sociaal verschijnsel.......................55
, 13.1.1 Vooroordelen en gevoel van eigenwaarde..........................................55
13.2 Vooroordelen, stereotypering en discriminatie..........................................55
13.2.1 Vooroordelen: de affectieve component..............................................55
13.2.2 Stereotypen: de cognitieve component..............................................55
13.2.3 Discriminatie: de gedragscomponent.................................................55
13.3 Modern racisme en andere impliciete vooroordelen..................................56
13.3.1 Impliciete vooroordelen activeren.......................................................56
12.3.2 De gevolgen van vooroordelen voor het slachtoffer...........................56
13.4 Waar komen vooroordelen vandaan?...........................................................56
13.4.1 De manier waarop we ons conformeren: Normatieve regels...............56
13.4.2 De manier waarop we denken: sociale cognitie..................................57
13.4.3 Hoe we ergens betekenis aan toekennen: attributieprocessen...........57
13.4.4 Vooroordelen en economische concurrentie: De realistische
conflicttheorie................................................................................................ 58
13.5 Hoe kunnen we vooroordelen terugdringen?.............................................58
13.5.1 De contacthypothese..........................................................................58
13.5.2 Zes voorwaarden voor de vermindering van vooroordelen via contact
....................................................................................................................... 58
13.5.3: Samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid: het jigsawmodel......58
13.5.4 Waarom werkt het jigsawmodel?........................................................58
,1. Inleiding tot de sociale psychologie
1.1 Wat is sociale psychologie
Psychologie: De wetenschap van het gedrag en de psychische processen van
het individu
Sociale psychologie: De wetenschappelijke studie naar de manier waarop
gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen worden beïnvloed door de
werkelijke of imaginaire aanwezigheid van andere mensen (sociale situatie)
Sociale invloed: het effect dat de woorden, daden of alleen al de aanwezigheid
van andere mensen hebben op onze gedachten, gevoelens, attitudes of gedrag
1.1.1 Wat kunnen we over sociale invloed vertellen?
Journalisten, gelegenheidsdeskundigen en maatschappijcritici
‘soort zoekt soort’ ‘tegenpolen trekken elkaar aan’
‘uit het oog, uit het hart’ ‘afwezigheid versterkt de liefde’
We hebben niets aan deze volkswijsheden en daarom is er wetenschappelijk
empirische onderzoek
Sociale Psychologie houdt zich niet zozeer bezig met sociale situaties in een
objectieve betekenis maar met construct.
Construct: de manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen, begrijpen
en interpreteren
Sociaal psychologische onderzoek richt zich op determinanten
Determinant: bepalende factor in een ontwikkeling of toestand
1.1.2 Waarin verschilt sociale psychologie van de meest verwante discipline?
Persoonlijkheidspsychologen proberen gedrag te verklaren door te concentreren op
individuele verschillen
Individuele verschillen: die aspecten van de persoonlijkheid van mensen die
hen onderscheiden van andere mensen
Sociaal psychologen denken dat je een essentieel onderdeel vergeet als je alleen
kijkt naar individuele verschillen, namelijk de machtige rol van de sociale invloed
Sociologie: analyseniveau is een sociale groep of sociaal systeem.
Sociale psychologie: analyseniveau is het individu in de context va een sociale
situatie.
Doel van de sociale psychologie
Doel van een sociale psychologie:
-het identificeren van universele gedragseigenschappen van de menselijke
cultuur die maken dat iedereen gevoelig is voor sociale invloed
- universele wetten ontdekken
- culturele verschillen ontdekken
, Sociologie Sociale psychologie Persoonlijkheidspsych
ologie
Verschaft algemene Onderzoekt de Onderzoekt de
wetten en theorieën over psychologische kenmerken die maken
samenlevingen, niet over processen die mensen dat individuen uniek zijn
individuen met elkaar en van elkaar verschillen
gemeenschappelijk
hebben de maken dat ze
gevoelig zijn voor sociale
invloed
1.2 De macht van de situatie
Fundamentele attributiefout: neiging om de waarin iemands gedrag wordt
veroorzaakt door interne, dispositionele factoren te overschatten en de rol van
externe, situationele factoren te onderschatten.
Dispositie: een psychische en fysieke kwaliteit of eigenschap van een persoon
Dispositionele theorieën: verzamelnaam voor benaderingen van persoonlijkheid
op basis van temperament, karaktertrekken en persoonlijkheidstypen
Bij voorspellen van gedrag voorspellen we met name op persoonlijkheid en
houden weinig rekening met de invloed van een sociale situatie
1.3 macht van sociale interpretatie
Behaviorisme: stroming in de psychologie die de stelling verdedigt dat men, om
menselijk gedrag te kunnen begrijpen, slechts hoeft te kijken naar de
bekrachtigende eigenschappen van de omgeving (straffen en belonen) – dat wil
zeggen: hoe positieve en negatieve gebeurtenissen in de omgeving verband
houden met specifieke gedragingen
Behavioristen vergaten de manier waarop mensen hun omgeving interpreteren te
beschouwen
Gestaltpsychologie: stroming in de psychologie die het belang benadrukt van
het bestuderen van de persoonlijke (subjectieve) manier waarop een object wordt
waargenomen (het gestalt of geheel), in plaats van het bestuderen van de
manier waarop de objectieve, fysieke eigenschappen van het object zijn
samengevoegd.
Als je iemand zijn gedrag wil interpreteren kun je beter het construct van een
individu proberen vast te stellen dan de objectieve aard van het gedrag proberen
te ontleden
1.4 Waar constructen vandaan komen: fundamentele menselijke
motieven
Mensen hebben twee grote sociale behoefte eerste optie wordt vaker gekozen
in deze tweestrijd