Hoofdstuk 1: didactische achtergronden van natuur en techniek
onderwijs
De 7 aandachtsgebieden voor natuur en techniek onderwijs:
1. Dieren
2. Planten
3. Eigen lichaam
4. Weer en seizoenen
5. Omgeving
6. Materialen en voorwerpen
7. Verschijnselen uit natuur en techniek
Kinderen stoppen alles in hun mond omdat hun lippen het gevoeligste
tastinstrument is dat ze op dat moment hebben. Ze leren denken door te doen.
Jean Piaget was een constructivist. Constructivisme: een kind leert door kennis
die hij eerder heeft opgedaan te verbinden aan nieuw verkregen kennis. Sociaal
constructivisme: gaat ervan uit dat mensen zelf betekenis verlenen aan hun
omgeving en dat sociale processen hierbij een prominente rol spelen.
Fasen theorie Piaget:
1. De sensomotorische fase: van 0 tot 2 jaar.
Het kind is vooral bezig met zintuigen en ze ontwikkelen hun motoriek en
geheugen.
2. De pre operationele fase: van 2 tot 6 jaar.
Het kind ontwikkelt het taalgebruik en de fijnere motoriek. Groter cognitief
vermogen. Het ontdekt dat objecten kwalitatief constant blijven terwijl ze toch
verschillend kunnen ogen.
3. De concreet-operationele fase: van 6 tot 12 jaar.
Vermogen groeit om abstract en logisch te denken. Het leert classificeren, series
onderscheiden en vergelijken op basis van redeneren. Leert fouten zien en
ongedaan maken. In de bovenbouw leren leerlingen zelfstandig werken en zelf
problemen oplossen. Bredere interesse het geheugen groeit.
4. De formeel operationele fase: vanaf 12 jaar.
Hypothetisch-deductief redeneert. Probleem oplossen, vermogen om hypothesen
te testen, logische conclusies trekken.
Galperin en Vygotski hebben aangetoond dat de omgeving van het kind invloed
heeft op het niveau waarin een kind zich begeeft. Ieder kind ontwikkelt zich in
zijn eigen tempo, we kunnen die ontwikkeling met oefeningen en opdrachten
versnellen.
Concept-contextbenadering: startpunt leefwereld van kinderen, daar worden
relevante concepten mee verbonden. Contextuele samenhang: relaties worden
uitgewerkt tussen meerdere concepten binnen eenzelfde context.
Recontextualiseren: een zelfde concept kan binnen verschillende contexten
uitgewerkt worden.
Werken met echte materialen, concrete verschijnselen en planten en dieren is de
basis voor een cognitieve ontwikkeling. Door te handelen met materialen en
organismen krijgt het kind inzicht in de onderlinge relaties tussen materialen,
vorm en functie, tussen levende en niet levende natuur, tussen mens en milieu.
- Uitgaan van de werkelijkheid: echte materialen (school omgeving)
- Aansluiten bij het ontwikkelingsniveau en de cognitieve mogelijkheden
- Aansluiten leefwereld van het kind