Begrippen
Partus, in partu= Bevalling
Gynaecoloog= Vrouwenarts
Ante partum-kamer= Weeënkamer
zwangere= vrouw die bevrucht is en tijdens de bevalling.
Kraamvrouw= Moeder van de geboren baby voor 6 weken(postpartum)
Pasgeborene= tot 10 dagen naar de geboorte
Zuigeling= 10 dagen tot 15 maanden
Postpartum= is bevallen
Hoofdstuk 2: Geschiedenis van kraam- en
kinderverpleegkunde
Begrippen
Bakeren= in wikkelen in doeken wat prikkels verminderd.
voedvrouw= vrouw die helpt bij de bevalling en het verzorgen van de zwangere/moeder en baby.
Vanaf 1978 is de naam voedvrouw veranderd naar verloskundige.
Baker= hulpje van de voedvrouw. Ook wel de kraamverzorgende vanaf 1925.
Min= een vrouw die borstvoeding geeft aan een kind van een rijke vrouw die zelf geen borstvoeding
wilt geven.
Sectio caesarea= keizersnede
prenatale verloskunde= onderzoeken tijdens de zwangerschap
verloskamers= kamers waarin de bevalling plaats vind.
Triagekamer= kamer voor zwangere met problemen.
Rooming-in= Na de geboorte ligt de baby 24 uur per dag op de kamer samen met de moeder.
Kraamsuite= Een verloskamer wat niet meer een ziekenhuis gevoel geeft.
Verpleegkundige Obstetrie en Gynaecologie= verpleegkundige die de zwangere ondersteunt tijdens
de zwangerschap en bij de bevalling.
Lactatieverpleegkundige= verpleegkundige die gespecialiseerd is in borstvoeding
Pediater= kinderarts
Boxensysteem= Een systeem waarbij aparte kamers in het ziekenhuis zijn ingericht voor kinderen
met infecties of infectiegevaar.
Consultatiebureau’s = Voorlichting aan moeders met baby’s en later aan kinderen. Drie R’s was de
basis. (rust, reinheid en regelmaat)
Couveuseafdeling = afdeling voor te vroeg geborene en zieke pasgeborene.
Pedagogisch medewerker= medewerker die is opgeleid om zieke kinderen te observeren, begeleide
en activeren gedurende de opname en die in staat is deze kinderen in het perspectief van hun
ontwikkelingsfase.