Ontwikkelingsgerontologie antwoordvel
Hoofdstuk 1 Gerontologie versus ontwikkeling
Vraag 1: Het gaat om de volgende typen, namelijk het gedesorganiseerde type, het
passief-afhankelijke type, het afwerende type en het geïntegreerde type.
Het eerste type betreft een oudere die wanhopigheid ervaart en niet de mogelijke
ontwikkelingskansen ziet. De focus ligt op verval en achteruitgang.
Het tweede type betreft een oudere die bang is voor de toekomst en ziektes en durft
daarom weinig risico’s te nemen.
Het derde type betreft een oudere die veel sport en activiteiten onderneemt. Hij of zij
ontkent het verouderen.
Het vierde type betreft een oudere die gemakkelijk accepteert dat het ouder wordt.
Het gevoel voor eigenwaarde wordt behouden. (wellicht de ‘beste’ van de vier)
Vraag 2: De volgende 3 typen denkmodellen zijn; het deficietmodel, het rust-
roestmodel en het competentiemodel.
Het eerste model gaat uit dat ouder worden betekent dat men de goede gezondheid
verliest. ‘Het leren omgaan met verliezen’.
Het tweede model gaat uit dat je als oudere juist actief moet blijven. ‘Op alle
domeinen actief blijven’.
Het derde model gaat uit dat ouder worden gepaard gaat met een aantal
verlieservaringen. Desondanks kan men op allerlei domeinen actief blijven.
Vraag 3: Het gaat hier om het volgende onderscheid. Namelijk primair, secundair en
tertiair verouderen. De eerste betekent bijvoorbeeld het krijgen van rimpels, de
tweede slijtage aan gewrichten of artrose en de derde een snelle fysieke aftakeling
die aan het sterven voorafgaat.
Vraag 4: Het productdenken, oftewel het werken vanuit de DSM, betekent dat er
gekeken wordt naar een cliënt vanuit de ziekteleer. Er hoort een bepaald ziektebeeld
met bepaalde symptomen bij iemand. Er wordt echter geen verklaring beschreven
voor het ontstaan van dit ziektebeeld.
Daartegenover staat het procesdenken, oftewel het werken vanuit het ICF-systeem,
waarbij mensen met en zonder pathologie in een systematiek beschreven kunnen
worden. Men gaat hierbij uit van een continuüm.
, Hoofdstuk 2 Doorontwikkeling
Vraag 1: Bij shifting identity is er sprake van een kwalitatieve verandering van de
identiteit. Dit kan het gevolg zijn van groei, ontwikkeling en rijping. Een belangrijke
gebeurtenis (trauma) kan ook zorgen voor een identity shift.
Vraag 2: Epigenese is een visie die uitgaat van cocreatie waarbij aanleg en
omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden.
Vraag 3: Cellulaire senescentie betekent het verminderde vermogen van celdelingen
en het uiteindelijke verlies hiervan.
Vraag 4: Een telomeer is het uiteinde van een chromosoom. Deze worden na elke
celdeling iets korter. Na een bepaald aantal celdelingen zijn deze ‘op’. Het
zelforganiserend proces hierin is dat microscopische veranderingen kunnen leiden
tot macroscopische veranderingen.
Vraag 5: Assimilatie betekent het veranderen van de werkelijkheid zodat deze past
in de voorheen gemaakte schema’s. Accomodatie is het tegenovergestelde waarbij
de schema’s worden aangepast om de werkelijkheid zo te begrijpen.
Vraag 6: Dit zijn de 4 verschillende mechanismen van breinplasticiteit; uibreiding,
intermodale herbestemming, compensatoire reorganisatie en adoptie door een
homoloog gebied.
Bij uitbreiding worden de cortex gebieden zo gestimuleerd dat deze in omvang en
dichtheid kunnen toenemen.
Bij intermodale herbestemming wordt de functionaliteit overgenomen door een ander
gebied (denk aan echolocatie).
Bij compensatoire reorganisatie (vooral oudere mensen) wordt eenzelfde doel
gehaald door een ander circuit of cognitief proces te gebruiken.
Bij adoptie door een homoloog gebied kan bijvoorbeeld de spraak in de
linkerhersenhelft overgenomen worden door de rechterhersenhelft.
Vraag 7: Het gaat hier om het Kennard Principle en growing into deficit.
Het eerste principe gaat er van uit dat je hersenschade het beste zo vroeg mogelijk
kan oplopen. Zo kan er een effectieve reorganisatie plaatsvinden door
bovengenoemde 4 mechanismen.
Het growing into deficit principe laat zien dat een vroege beschadiging kan leiden tot
een latere gestoorde ontwikkeling en/of verminderde functionaliteit (denk aan
schilder met de spierpijn en houdingsproblemen).
Hoofdstuk 1 Gerontologie versus ontwikkeling
Vraag 1: Het gaat om de volgende typen, namelijk het gedesorganiseerde type, het
passief-afhankelijke type, het afwerende type en het geïntegreerde type.
Het eerste type betreft een oudere die wanhopigheid ervaart en niet de mogelijke
ontwikkelingskansen ziet. De focus ligt op verval en achteruitgang.
Het tweede type betreft een oudere die bang is voor de toekomst en ziektes en durft
daarom weinig risico’s te nemen.
Het derde type betreft een oudere die veel sport en activiteiten onderneemt. Hij of zij
ontkent het verouderen.
Het vierde type betreft een oudere die gemakkelijk accepteert dat het ouder wordt.
Het gevoel voor eigenwaarde wordt behouden. (wellicht de ‘beste’ van de vier)
Vraag 2: De volgende 3 typen denkmodellen zijn; het deficietmodel, het rust-
roestmodel en het competentiemodel.
Het eerste model gaat uit dat ouder worden betekent dat men de goede gezondheid
verliest. ‘Het leren omgaan met verliezen’.
Het tweede model gaat uit dat je als oudere juist actief moet blijven. ‘Op alle
domeinen actief blijven’.
Het derde model gaat uit dat ouder worden gepaard gaat met een aantal
verlieservaringen. Desondanks kan men op allerlei domeinen actief blijven.
Vraag 3: Het gaat hier om het volgende onderscheid. Namelijk primair, secundair en
tertiair verouderen. De eerste betekent bijvoorbeeld het krijgen van rimpels, de
tweede slijtage aan gewrichten of artrose en de derde een snelle fysieke aftakeling
die aan het sterven voorafgaat.
Vraag 4: Het productdenken, oftewel het werken vanuit de DSM, betekent dat er
gekeken wordt naar een cliënt vanuit de ziekteleer. Er hoort een bepaald ziektebeeld
met bepaalde symptomen bij iemand. Er wordt echter geen verklaring beschreven
voor het ontstaan van dit ziektebeeld.
Daartegenover staat het procesdenken, oftewel het werken vanuit het ICF-systeem,
waarbij mensen met en zonder pathologie in een systematiek beschreven kunnen
worden. Men gaat hierbij uit van een continuüm.
, Hoofdstuk 2 Doorontwikkeling
Vraag 1: Bij shifting identity is er sprake van een kwalitatieve verandering van de
identiteit. Dit kan het gevolg zijn van groei, ontwikkeling en rijping. Een belangrijke
gebeurtenis (trauma) kan ook zorgen voor een identity shift.
Vraag 2: Epigenese is een visie die uitgaat van cocreatie waarbij aanleg en
omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden.
Vraag 3: Cellulaire senescentie betekent het verminderde vermogen van celdelingen
en het uiteindelijke verlies hiervan.
Vraag 4: Een telomeer is het uiteinde van een chromosoom. Deze worden na elke
celdeling iets korter. Na een bepaald aantal celdelingen zijn deze ‘op’. Het
zelforganiserend proces hierin is dat microscopische veranderingen kunnen leiden
tot macroscopische veranderingen.
Vraag 5: Assimilatie betekent het veranderen van de werkelijkheid zodat deze past
in de voorheen gemaakte schema’s. Accomodatie is het tegenovergestelde waarbij
de schema’s worden aangepast om de werkelijkheid zo te begrijpen.
Vraag 6: Dit zijn de 4 verschillende mechanismen van breinplasticiteit; uibreiding,
intermodale herbestemming, compensatoire reorganisatie en adoptie door een
homoloog gebied.
Bij uitbreiding worden de cortex gebieden zo gestimuleerd dat deze in omvang en
dichtheid kunnen toenemen.
Bij intermodale herbestemming wordt de functionaliteit overgenomen door een ander
gebied (denk aan echolocatie).
Bij compensatoire reorganisatie (vooral oudere mensen) wordt eenzelfde doel
gehaald door een ander circuit of cognitief proces te gebruiken.
Bij adoptie door een homoloog gebied kan bijvoorbeeld de spraak in de
linkerhersenhelft overgenomen worden door de rechterhersenhelft.
Vraag 7: Het gaat hier om het Kennard Principle en growing into deficit.
Het eerste principe gaat er van uit dat je hersenschade het beste zo vroeg mogelijk
kan oplopen. Zo kan er een effectieve reorganisatie plaatsvinden door
bovengenoemde 4 mechanismen.
Het growing into deficit principe laat zien dat een vroege beschadiging kan leiden tot
een latere gestoorde ontwikkeling en/of verminderde functionaliteit (denk aan
schilder met de spierpijn en houdingsproblemen).