Semester 1, blok 1
Week 2
1. Je benoemt de verschillende niveaus waaruit het menselijk lichaam
is opgebouwd.
Opbouw:
Cel
- Basisbouwsteen en stofwisselingseenheid
- Vorm afhankelijk van functie
- Ongeveer 60.000.000.000.000.000 cellen in het menselijk lichaam
Wat hebben deze cellen nodig?
Brandstof = macronutriënten; koolhydraten, vetten, eiwitten.
Bouwstof= eiwitten, vetten, water, vitaminen en mineralen.
Zuurstof
Weefsel
- Verzameling cellen met dezelfde bouw en functie
- Inclusief tussencelstof
Orgaan
- Geheel van weefsel met een of meerdere functies
Orgaanstelsel
- Combinatie van organen die samenwerken
Organisme = een op zichzelf functionerend geheel
Elk organisme streeft ernaar de samenstelling van het interne milieu constant te houden, dit noemen
we ook wel homeostase.
Er zijn twee regulatiesystemen:
- Zenuwstelsel
- Hormonale stelsel
2. Je benoemt de verschillende orgaanstelsels en hun functie en geeft
hun plek in het lichaam aan.
, Van links naar rechts:
Beenderenstelsel/ skelet
Zenuwstelsel
Bloedvatenstelsel
Ademhaling stelsel
Spijsverteringsstelsel
Spierstelsel
Niet op de foto later toegelicht: circulatiestelsel
Week 3
3. Je geeft weer waar de verschillende onderdelen van het verteringsstelsel in het lichaam
liggen.
Betekenis: het orgaanstelsel waardoor ons voedsel vervoerd en verteerd wordt.
Verschil:
- Kanaal: de organen die samen de ‘buis’ vormen
- Stelsel/systeem: ook de omliggende organen die een rol spelen bij de vertering
Functie orgaanstel = Vertering
Het afbreken van voedsel in kleine stukjes (moleculen) die ons lichaam kan opnemen en gebruiken
als: Brand- en bouwstof
4. Je legt uit wat de anatomie en functie van de verschillende spijsverteringsorganen is.
Mondholte/Oral cavity
Functies:
Kauwen: vergroot het oppervlak
Speeksel: maakt de voedselbrij/bolus soepel & bevat amylase
Tong: verplaatst voedsel in de mond en helpt bij slikken