Leren figuren:
Figuur 6.8,
figuur 6.9,
figuur 6.10,
figuur 6.13,
figuur 6.16,
figuur 6.20,
6.1
Het beenderstelsel heeft 5 belangrijke functies:
- ondersteuning
- opslag: calciumzouten en energiereserves (gele beenmerg in de vorm van
vetten).
- vorming bloedcellen: rode beenmerg (vorming rode, witte bloedcellen en andere
onderdelen van het bloed).
- bescherming
- beweging
6.2 (handig om figur 6-2 te leren)
beenderen worden ingedeeld aan de hand van hun vorm en structuur.
Beenweefsel is een steunweefsel en bevat gespecialiseerde cellen en een matrix.
2/3 van gewicht van beenderen wordt gevormd door calciumfosfaat Ca3(PO4)2.
1/3 deel zijn collagene vezels en 2% vormt botcellen en andere celtypen. Deze
celtypen zijn:
- osteoclasten: reusachtige cellen met 50 of meer celkernen. Osteoclasten lossen
de botmatrix op door zuren en enzymen af te geven. Ook geven ze opgeslagen
mineralen af via osteolyse of resorptie. Dit proces speelt een rol bij de regulering
van de calcium- en fosfaatconcentraties in de lichaamsvloeistoffen.
- osteoblasten: zorgen voor opbouw van de nieuw beenweefsel, dit proces wordt
ossificatie genoemd. Ook bevorderen ze de afzetting van calciumzouten in de
organische matrix. Als een osteoblast volledig omgeven raakt door
gecalcificeerde matrix, differentieert deze tot botcel.
Menselijk lichaam bevat 206 beenderen. Er bestaan 4 typen:
- lang: langer dan breed (beenderen van de arm), bestaat uit een proximale
epifyse (gewrichtskraakbeen), diafyse (mergholte met vettig weefsel) en een
distale epifyse (gewrichtskraakbeen). Een onvolwassen lang bot groeit op de
plaats waar de epifyse in de diafyse overgaat. (van een ander bot, deze zijn aan
elkaar verbonden).
- kort: even lang als breed (handwortelbeentjes)
- plat: dun en breed (ribben, schedel, schouderbladen)
- onregelmatig: ingewikkelde vorm (wervels)
2 typen beenweefsel
- compact beenweefsel: massief, compact op elkaar.
- spongieus beenweefsel: netwerk van benige staafjes of balkjes en worden
gescheiden van elkaar door holten er tussen.
Periost: Het buitenste oppervlak dat het bot bekleed, deze isoleert het bot van
de aangrenzende weefsels, biedt plaats aan de verbinding met bloedvaten en