Inleiding Rente-aftrek
Stappenplan
1. Civielrechtelijke vorm: is civielrechtelijk sprake van vreemd vermogen dan
is de hoofdregel dat fiscaal ook sprake is van vreemd vermogen en dus
van schuld en hebben we dus te maken met rente-aftrek
Op stap 1 zijn een aantal uitzonderingen: er zijn drie situaties waarin
een instrument dat civielrechtelijk vreemd vermogen is, fiscaal wordt
behandelt als eigen vermogen
2. Schijnlening, bodemloze putlening en deelnemerschapslening ( is sprake
van een van deze drie vormen dan is er fiscaal sprake van eigen
vermogen), en we hebben dan ook niet te maken met rente-aftrek
Als het niet om een van bovenstaande leningen gaat dan hebben we te
maken met fiscaal vreemd vermogen.
3. We gaan kijken naar de zakelijkheid, is de zakelijkheid van de rente als het
gaat om een lening tussen verbonden lichamen in orde, het kan zijn dat
aandeelhouders motieven een rol hebben gespeeld, het kan bijv. zijn dat
die lening geen arms length lening heeft.
Stap 3A: proberen om op grond van die arms length beginsel de rente
te verzakelijken hierbij vraag je je af of je een derde (bijv. een bank)
kan vinden die onder dezelfde voorwaarde de lening zou zijn
aangegaan, is die derde te vinden dan neem je die rente als
uitgangspunt en ga je corrigeren via stortingen en onttrekkingen
Stap 3B: er kan geen derde worden gevonden die onder dezelfde
voorwaarden een lening had willen verstrekken en dan heb je te maken
met de problematiek van de onzakelijke lening. De schuldeiser mag de
vordering dan niet ten laste van de winst afwaarderen. en de rente
wordt dan op grond van de borgstellingsanalogie aangepast.
4. Wettelijke rente-aftrek beperkingen toepassen: artikel 10a, 10b, 13l en
15ad
Deze moet je allemaal af en pas als je bepaling voor bepaling bent
afgegaan pas dan weet je aan het eind of die rente aftrekbaar is of
niet.
Grondslag uitholling
1
, Eerst gaan we kijken wanneer er sprake is van grondslag uitholling? Want daar
gaat het natuurlijk om. Hoofdregel is dat die rente aftrekbaar is,
belastingplichtige heeft financieringsvrijheid en mag dus zelf beslissen in welke
mate hij zijn onderneming met vreemd vermogen financiert. Maar in bepaalde
gevallen vind dat de wetgever dat ongewenst en dat zijn gevallen waarin sprake
is van grondslag uitholling.
Grondslag uitholling is:
Financiering door een laag belast groepsmaatschappij (Winstdrainage)
Financiering door aankoop van een aandeelneming
onder kapitalisatie
Financiering van overnames
Eerste vorm: financiering door een laag belast groepsmaatschappij
Stel een Nlse moeder heeft eigen vermogen en die wordt gestort in een laag
belaste dochter en wordt terug geleend door die buitenlandse laag belaste
dochter aan de Nlse moeder dan zal je zien dat het in principe de rente bij de
Nlse moeder aftrekbaar zijn tegen 25% Vpb en als die rente dan bij die laag
belaste dochter aankomt dan heb je dus een fiscaal voordeel behaalt en als je
het dan ook nog eens kunt construeren dat op die laag belaste dochter de
deelnemingsvrijstelling van toepassing is dan is het een leuke structurering
mogelijkheid is voor grote bedrijven.
Omgekeerd werkt het natuurlijk ook dan heb je een NLse dochter met een
buitenlandse dochter. De dochter kan dan eigen vermogen uitkeren naar die laag
belaste moeder. En dat geldt kan dan worden terug geleend.
Bepaling die hier zich tegen richt is artikel 10a Vpb. Artikel 10a richt zich
inderdaad op winstdrainage, wanneer binnen een concern wordt
2