Verzuiling: opdelen van de samenleving in groepen gekenmerkt door verschillen in
levensbeschouwing. Voor de tweede wereldoorlog had iedereen een eigen zuil, alles deed je
binnen die zuil → katholiek, protestants-christelijk, socialistisch en liberaal. Tijdens de
bezetting van de Duitsers → einde aan veel zuilen door nazificatie. Na de tweede
wereldoorlog werd er een poging gedaan om zonder de zuilen verder te gaan → mislukte
doordat de confessionelen de socialisten als een gevaar zagen voor het geloof.
Tijdens de tweede wereldoorlog was Nederland neutraal → neutraliteitspolitiek. Na de
oorlog was er een wederopbouw nodig voor het herstellen van de economie → V.S. schoot
te hulp met het marshallplan → daarna koos Nederland de kant van de V.S. tijdens de koude
oorlog →verplicht tot samenwerking.
Door de oorlog werden veel huwelijken uitgesteld→ na de oorlog kon dit weer →gevolg
babyboom → bevolkingsgroei nam toe → grote uitdaging voor de regering → extra
voorzieningen (scholen, voor later huizen en banen).
Industrialisatie politie → regering hield zich bezig met het stimuleren van de economie in de
industrie in plaats van de landbouw, handel en scheepvaart → succesvol economie groeide.
Oplossing voor chaos in het land en weinig geld → compromis sluiten dat werd mogelijk
gemaakt door samenwerking van katholieken en socialisten → ontstaan rooms-rode coalitie
in 1948/49. Veel mensen steunde één van deze partijen en daardoor dus ook de regering. De
regering besloot de geleide loonpolitiek → als de lonen laag waren, werden Nederlandse
producten goedkoper en buitenlandse duurder → export kon zo toenemen en ook het
geld→ investeringen in machines, industrie en infrastructuur → economie kon zo groeien.
Dit lukte door instemming van vakbonden → want geen loonsverhoging. Nederland werd
een belangrijk export land.
Maakbare samenleving → om nog een watersnoodramp te voorkomen → deltaplan →
dijken versterken en verhogen. De welvaart verbeterde en daarna ook het welzijn →
psychologen, sociologen en pedagogen → burgers werden zo deugdzaam.
Toenemende invloed overheid → verzorgingsstaat → overheid garandeert burgers
(zwakkeren) een bestaansminimum → sociale zekerheid, wetten, bijstand, AOW in 1957 →
toenemende economische gelijkheid.
Nederlandse economie groeide mede door de vondst van aardgas in Groningen in 1959 →
daardoor was de verzorgingsstaat mogelijk. De geleide loonpolitiek werd losgelaten → loon
ging flink omhoog want ze profiteerde van de economie → welvaart steeg → ontstaan