Ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 1 & 2
Ontwikkelingspsychologie & Theorieën
ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie = streeft naar begrijpen en verklaren van
veranderingen in iemands cognitieve en sociale vaardigheden door
observatie van gedrag en onderliggende processen
Nature vs. nurture: nativism vs. empiricism
Combinatie beide factoren
Modellen van ontwikkeling:
- Continue ontwikkeling: lineair verband
- Discontinue ontwikkeling: stapsgewijs
- Overlapping waves (Siegler): kinderen gebruiken verschillende
strategieën in verschillende ontwikkelingsstadia
Critical period = periode waarbinnen een gebeurtenis/gebeurtenissen
noodzakelijk zijn voor een typische ontwikkeling
Sensitive period = periode waarbinnen een gebeurtenis/gebeurtenissen
belangrijk zijn voor een typische ontwikkeling; zonder de gebeurtenissen
kan de typische ontwikkeling nog gebeuren
Domain-general development = idee dat ontwikkelingen invloed
kunnen hebben op een groot domein aan vaardigheden
Domain-specific development = idee dat ontwikkeling van
vaardigheden onafhankelijk gebeurt, en weinig invloed hebben op
vaardigheden van andere domeinen
Levels of explanation = verklaren van psychologische vaardigheden
vanuit verschillende benaderingen, o.a. via biologisch, sociaal
Allport (1954): “Ontwikkeling gaat door gedurende hele leven; in sommige
periodes sneller dan in andere
Perspectieven op ontwikkeling
- Individu vs. omgeving:
o Individu en omgeving beïnvloeden elkaar
o Individu en omgeving interacteren
- Culturele context
- Ecological perspective (Bronfenbrenner): nadruk niet alleen op
relaties tussen individuen en hun omgeving, maar ook op relatie
tussen deze systemen
, - Lifespan perspective: ontwikkeling gedurende hele leven
Theorieën ontwikkelingspsychologie:
- Behaviourism (Watson, Thorndike, Pavlov, Skinner): nadruk op leren
gericht op nurture
o Classical and operant conditioning
- Maturational theorie (jaren ’30 en ’40, Gesell en McGraw):
ontwikkeling gaat in vaste stadia, voorspeld door genetica gericht
op nature
- Psychodynamische benadering (Freud)
o Id: instinct
o Ego: rationeel
o Superego: normen en waarden
o Ontwikkelstadia Freud
Oraal (0-1): plezier door dingen in de mond te stoppen
Problemen: teveel eten, roken, nagelbijten
Anaal (1-3): ego is ontwikkeld; plezier door poepen/poep
ophouden
Te streng: symbolisch poep ophouden
Te makkelijk: symbolisch overal poepen
Fallisch (3-5/6): plezier uit genitaliën
Oedipus/elektra complex: seksuele aantrekking tot
ouder andere geslacht; jaloezie t.o.v. ouder
hetzelfde geslachte; angst en verdrukking van
gedachte, waarna kind zich identificeert met ouder
andere geslacht
Problemen: autoriteit en relaties
Latent(5/6-adolescentie)
Genitaal
- Psychosociale theorie (Erikson): ontwikkeling door volbrengen van
taken
o Infancy (0-1)
Vertrouwen in anderen en onszelf
Wantrouwen en slecht zelfbeeld
o Early childhood (1-3)
Zelfcontrole & autonomie
Schaamte en twijfel over kunnen
o Play age (3-6)
, Intitiatief
Schuldgevoelens over agressie en durf
o School age (6-12)
Vlijt
Minderwaardigheid omdat kind voelt dat het taken niet
aankan
o Adolescence (12-20)
Identiteit ontwikkelen
Twijfel over identiteit
o Young adulthood (20-30)
Intimiteit
isolement
o Adulthood (30-65)
Generativiteit doorgeven
stagnatie
o Mature age (65+)
Integriteit
Wanhoop
- Ethologische theorie (Konrad Lorenz): gedrag moet worden geplaatst
in context en waarde voor overleven
o Imprinting: biologische en plotselinge attachment
(ganzenexperiment)
o Ethologische methode
Kinderen observeren in natuurlijke omgeving
Zie je het in verschillende culturen?
Helpt het met overleven?
o Gericht op nature
Maternal deprivation & attachment (Bowlby)
o Scheiding van de moeder leidt tot probleemgedrag,
moeilijkere relaties met anderen en psychopathie
44 diefjes: 17 diefjes in jeugd gescheiden van moeder
- Social learning theory (Bandura): nadruk op observatie en
imitatie bij aanleren nieuw gedrag
1. Modelled behaviour
2. Attention
3. Retention
4. Reproduction
5. Motivation
6. Matching behaviour
- Piagetian theory: kind is actief op zoek naar nieuwe informatie
- Sociocultural theory (Vygotsky): ontwikkeling door interactie met
mensen met meer vaardigheden
- Information-processing approaches: nadruk op informatiestroom in
cognitive
1. Thinking is information processing
, 2. Mechanisms/processes that underlie processing information
3. Self-modifying processes
4. Careful task analysis
o Error analysis
Microgenetic analysis
- Neo-Piagetian information-processing models: verbeteringen
in geheugencapaciteit en zelfcontrole
o Executive controle structure (Case) = mentaal plan om
problemen op te lossen
- Evolutionaire psychologie: ontwikkelingen noodzakelijk om te
overleven
Connectionist models of development: interconnected nodes/network
of neurons processing information: input output
, Hoofdstuk 4 & 5
Biologische ontwikkeling & Fysieke ontwikkeling
Vermenigvuldigen van cellen:
- Mitose = het delen van
cellen
- Meiose = het splitsen van
cellen in geslachtsorganen
o Crossing over =
proces waarin gelijkwaardige secties van
chromosomen zich random
verwisselen, waardoor de
genetische informatie ook
wisselt genetische diversiteit
o Bij seksuele voortplanting
combineren de 23 chromosomen van de
moeder zich met 23 chromosomen van de vader ook dit
combineren (pairing) zorgt voor genetische diversiteit
o Meer diversiteit hogere kans overleving soort
Genetisch overdraagbare ziekten kunnen uitsterven door
juiste manier van pairing
Chromosomen = soort draadjes in de celkern met genetische informatie
- Cellen hebben 46 chromosomen/23 chromosoomparen
o Uitzondering: ovum of sperma
- DNA = molecuul in chromosoom dat genetische informatie heeft en
overdraagt bij voortplanting
- Gen = deel van DNA op een bepaald deel van het chromosoom dat
zorgt voor de productie van bepaalde proteïnes
o Proteïnes voeren functies uit in het lichaam
Groeien
Eten verteren
Voelen
Hersenfuncties
Emoties
o Allelen = genen met grofweg dezelfde functie
Één van vader, één van moeder
Homozygoot = allelen van beide ouders zijn
hetzelfde (AA of aa)
Heterozygoot = allelen van beide ouders zijn
verschillend (Aa of aA)
Dominantie
Codominantie = genetisch patroon waarin twee
heterozygote allelen hun eigenschap tegelijkertijd
en in de zelfde maten tot uitdrukking brengen