Binding
Binding: verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of
familie, tussen leden van een groep in de maatschappij en op niveau van de staat.
Soorten bindingen:
Cognitieve: afhankelijkheden tussen mensen die van elkaar leren.
Economische: afhankelijkheden tussen mensen door de verdeling van schaarse goederen.
Politieke: afhankelijkheden tussen mensen vanwege de politieke macht/ verdeling van
collectieve goederen.
Affectieve: afhankelijkheden tussen mensen die positieve/negatieve gevoelens betreffen.
Sociale cohesie: het aantal en de kwaliteit van bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader
met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van
verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn en de mate waarin anderen daar een beroep op kunnen
doen.
3 factoren die sociale cohesie bevorderen:
- Wederzijdse afhankelijkheid
- Dwang of macht
- Gedeelde waarden en normen (saamhorigheidsbesef)
Micro: hechtheid gezin.
Meso: aantal groepen waar je je verbonden mee voelt.
Macro: samenleving.
Sociale controle: handhaven in de samenleving (functie).
Sociale controle: de manier waarop mensen anderen ertoe brengen of dwingen zich aan de normen
of regels te houden.
Veranderingen in de samenleving die de mate van sociale controle beïnvloeden: individualisering en
informalisering.
Sociale institutie: is het complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen
en hun onderlinge relaties reguleren.
Sociale instituties geven ons handelen betekenis en bieden ons voorspelbaarheid en stabiliteit.
Kenmerken van sociale instituties zijn:
- Lange traditie
- Stabiel maar aan verandering onderhevig
- Je kunt ze niet zomaar veranderen
- Zijn gebaseerd op macht maar vooral op gezag
Groepsvorming: als er bindingen tot stand komen tussen meer dan twee mensen, doordat ze elkaar
beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.
Formele groepen: vaste doelen, regels en procedures, bepaalde rollen en hiërarchie.
, Informele groepen: stilzwijgende afspraken; niet vastgelegde regels, normen, waarden, regels en
hiërarchie.
Voorwaarden voor het tot stand komen/voortbestaan groepen is het hebben van langdurige
gezamenlijke belangen.
Bij groepsvorming gaat het erom wie er wel/niet bij hoort: processen van in- en uitsluiting.
Het gedrag van individuele leden wordt beïnvloed door sociale controle.
Situaties waarin mensen niet langer bij een groep horen:
- Ze willen er niet meer bij (dropping out)
- Ze mogen er niet meer bij (uitsluiting/discriminatie)
- Ze kunnen er niet meer bij (armoede/werkloosheid)
Cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die
mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
Politieke institutie: is het complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van
mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefening en politieke besluitvorming
reguleren.
Verschil politieke instituties en politieke organisaties:
Politieke organisaties zijn verbanden tussen mensen die een gemeenschappelijk doel
nastreven zoals winst maken.
Politieke instituties leiden tot het ontstaan van politieke organisaties die zich met de
uitvoering van de regels bezighouden: wetgevende macht.
Politieke partijen en hun 5 functies:
1. Rekrutering en selectiefunctie: werven en selecteren van kandidaten voor politieke functies.
2. Articulatiefunctie: het op de politieke agenda plaatsen van maatschappelijke eisen en
wensen.
3. Participatiefunctie: burgers stimuleren om mee te doen aan de politieke besluitvorming.
4. Aggregatiefuntie: afwegen en bijeenbrengen van wensen, eisen en belangen.
5. Communicatie: politieke partijen zijn intermediairs tussen kiezers en gekozenen.
Veranderingen in de functies van politieke partijen: de partijtrouw neemt af, er zijn meer zwevende
kiezers, afname aantal leden van politieke partijen, bij sommige functies (articulatie en
communicatie) is er concurrentie van de media en pressiegroepen.
Representatie: vertegenwoordiging van een groep in organisaties door een of enkele betrokkenen
die namens de groep optreden.
Representativiteit: is de mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten of
achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die
vertegenwoordigd wordt.
Soorten bedreigingen:
- Bedreigingen door natuurlijke oorzaken
- Bedreigingen van technologische aard (explosies en bodemverontreiniging)
- Bedreigingen van sociale aard (menselijk handelen)