BIO SAMENVATTING H8
Er zijn vijf orgaanstelsels: verteringsstelsel, ademhalingsstelsel, uitscheidingsstelsel,
bloedvatenstelsel en zenuwstelsel.
Verteringsstelsel: er zitten veel organen in je bui van het verteringsstelsel. Het verteringsstelsel
maakt het voedsel zo klein dat het kan worden opgenomen in het bloed.
Ademhalingsstelsel: in je borstholte zitten je longen die horen bij het ademhalingsstelsel. Ze nemen
vanuit de lucht zuurstof op in het bloed en geven koolstofdioxide vanuit het bloed aan het lucht.
Uitscheidingsstelsel: In je buikholte liggen je nieren en urine blaas ze horen bij het
uitscheidingsstelsel en ze raken je lichaam afvalstoffen kwijt.
Bloedvatenstelsel: je bloedvatenstelsel vervoert voedingstoffen, zuurstof en andere stoffen. Je hart
pompt het bloed door je bloedvaten naar alle andere organen in je lichaam.
Zenuwstelsel: Het zenuwstelsel zorgt ervoor dat alle organen goed werken. Je hersenen geeft
impulsen die via je zenuwen worden ontvangen in je spieren. Je zenuwen zorgen er ook voor dat al je
organen goed samen werken.
Door de verbranding van glucose in je
spiercellen komt er energie vrij. Zo kunnen de
spiercellen samentrekken. Voor de verbranding
van glucose heb je zuurstof nodig. Hiervoor
heb je verschillende orgaanstelsels nodig:
via het verteringsstelsel komt glucose in het
bloed.
Via het ademhalingsstelsel komt zuurstof in
het bloed.
Via het bloedvatenstelsel komt glucose en
zuurstof bij de spiercellen. Tussen de
spiercellen zitten bloedvaatjes die zorgen voor
het netwerk van zuurstof en glucose. Bij de
verbranding van glucose komt energie uit de
glucose vrij. Er ontstaan ook twee afval stoffen
Koolstofdioxide en water deze stoffen worden
via het bloedvatenstelsel afgevoerd en
uitgescheiden.
Via het ademhalingsstelsel adem je
koolstofdioxide uit.
Via het uitscheidingsstelsel wordt een groot
deel van het water afgevoerd als urine. Je
verliest water ook door zweten en uitademen
, Bij het in en uitademen maak je je borstholte afwisselend kleiner en groter. Doordat je longen met
een vlies vastzitten aan je borstholte. Daarmee werken je spieren, elasticiteit van je weefsels en de
zwaartekracht samen.
Inademen:
De tussenribspieren en middenrifspieren trekken sparen.
De ribben kantelen omhoog en het middenrif wordt plat.
Borstholte en je longen worden groter.
De lucht in je longen krijgt meer ruimte en de luchtdruk in je longen neemt af.
Lucht stroomt dan vanzelf in.
Uitademen:
Tussenribspieren en middenrifspieren ontspannen.
De ribben zakken door de zwaartekracht naar beneden. Het middenrif keert terug en word bol.
De borstholte en longen worden kleiner.
Inademing
De lucht in je longen krijgt minder ruimte. Manier 1 ademhaling door ribademhaling en
Daardoor neemt de luchtdruk toe. borstademhaling.
De lucht stroomt daardoor naar buiten. De tussenribben trekken samen en kantelen
omhoog. De borstkas word breder en de
longen worden groter. De luchtdruk in de
longen word kleiner en je ademt in.
Manier 2 ademhaling door
Er zijn vijf orgaanstelsels: verteringsstelsel, ademhalingsstelsel, uitscheidingsstelsel,
bloedvatenstelsel en zenuwstelsel.
Verteringsstelsel: er zitten veel organen in je bui van het verteringsstelsel. Het verteringsstelsel
maakt het voedsel zo klein dat het kan worden opgenomen in het bloed.
Ademhalingsstelsel: in je borstholte zitten je longen die horen bij het ademhalingsstelsel. Ze nemen
vanuit de lucht zuurstof op in het bloed en geven koolstofdioxide vanuit het bloed aan het lucht.
Uitscheidingsstelsel: In je buikholte liggen je nieren en urine blaas ze horen bij het
uitscheidingsstelsel en ze raken je lichaam afvalstoffen kwijt.
Bloedvatenstelsel: je bloedvatenstelsel vervoert voedingstoffen, zuurstof en andere stoffen. Je hart
pompt het bloed door je bloedvaten naar alle andere organen in je lichaam.
Zenuwstelsel: Het zenuwstelsel zorgt ervoor dat alle organen goed werken. Je hersenen geeft
impulsen die via je zenuwen worden ontvangen in je spieren. Je zenuwen zorgen er ook voor dat al je
organen goed samen werken.
Door de verbranding van glucose in je
spiercellen komt er energie vrij. Zo kunnen de
spiercellen samentrekken. Voor de verbranding
van glucose heb je zuurstof nodig. Hiervoor
heb je verschillende orgaanstelsels nodig:
via het verteringsstelsel komt glucose in het
bloed.
Via het ademhalingsstelsel komt zuurstof in
het bloed.
Via het bloedvatenstelsel komt glucose en
zuurstof bij de spiercellen. Tussen de
spiercellen zitten bloedvaatjes die zorgen voor
het netwerk van zuurstof en glucose. Bij de
verbranding van glucose komt energie uit de
glucose vrij. Er ontstaan ook twee afval stoffen
Koolstofdioxide en water deze stoffen worden
via het bloedvatenstelsel afgevoerd en
uitgescheiden.
Via het ademhalingsstelsel adem je
koolstofdioxide uit.
Via het uitscheidingsstelsel wordt een groot
deel van het water afgevoerd als urine. Je
verliest water ook door zweten en uitademen
, Bij het in en uitademen maak je je borstholte afwisselend kleiner en groter. Doordat je longen met
een vlies vastzitten aan je borstholte. Daarmee werken je spieren, elasticiteit van je weefsels en de
zwaartekracht samen.
Inademen:
De tussenribspieren en middenrifspieren trekken sparen.
De ribben kantelen omhoog en het middenrif wordt plat.
Borstholte en je longen worden groter.
De lucht in je longen krijgt meer ruimte en de luchtdruk in je longen neemt af.
Lucht stroomt dan vanzelf in.
Uitademen:
Tussenribspieren en middenrifspieren ontspannen.
De ribben zakken door de zwaartekracht naar beneden. Het middenrif keert terug en word bol.
De borstholte en longen worden kleiner.
Inademing
De lucht in je longen krijgt minder ruimte. Manier 1 ademhaling door ribademhaling en
Daardoor neemt de luchtdruk toe. borstademhaling.
De lucht stroomt daardoor naar buiten. De tussenribben trekken samen en kantelen
omhoog. De borstkas word breder en de
longen worden groter. De luchtdruk in de
longen word kleiner en je ademt in.
Manier 2 ademhaling door