De afdeling sociale zaken van de Gemeente Hoorn heeft het vermoeden dat mevrouw Jacobse,
wonende Hoofdstraat 65, samenwoont met de heer Kapper. Mevrouw Jacobse ontvangt een
bijstandsuitkering, berekend met de norm van een alleenstaande. Volgens mevrouw Jacobse is de
heer Kapper een kostganger. Er wordt hiermee ter vaststelling van de hoogte van de
bijstandsuitkering rekening gehouden. De gemeente heeft de kostendelersnorm toegepast. De
Gemeente vermoedt dat de jarenlange kostgangerrelatie is uitgegroeid tot een gezamenlijke
huishouding. Reden om een onderzoek te starten. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken.
Tijdens het huisbezoek op 2 maart 2015 is door de Sociale Dienst vastgesteld dat mevrouw Jacobse
niet in de woning aan de Hoofdstraat 65 aanwezig was. Bij een huisbezoek opende de heer Kapper
de deur en desgevraagd deelde hij mee dat hij net uit bed kwam. Hij heeft aan hen zijn kamer
getoond. In deze kamer stonden twee kledingkasten, een stereotoren en een eenpersoonsbed. Het
bed was niet opgemaakt. Er lag een dekbed op zonder hoes en de gordijnen waren open. De
slaapkamerdeur van mevrouw Jacobse stond open. Hier waren de gordijnen dicht en er stond een
tweepersoonsbed dat beslapen was.
B&W van de gemeente beëindigt de bijstandsuitkering, omdat mevrouw Jacobse niet aan de
inlichtingenverplichting heeft voldaan. Ze heeft niet meegedeeld dat ze met de heer Kapper een
gezamenlijke huishouding vormt.
Vraag: Is het standpunt van B&W rechtens juist?
Om een gezamenlijke huishouding te vormen moeten 2 personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding, dan wel anderszins o.g.v. art. 3 lid 3 Pw.
In deze casus is het niet duidelijk of ze zorg dragen voor elkaar, als ze samen zouden slapen wil dat
niet meteen zeggen dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het kan ook zijn dat ze
bijvoorbeeld 2 dagen in de week samen slapen, het standpunt van het B&W is op onvoldoende
feiten gebaseerd.
Opgave 2: Aanvraag
De heer Rahman werkt in een restaurant als kok. Hij is op 1 december op staande voet ontslagen,
omdat hij voor de vierde keer te laat op zijn werk is verschenen. De heer Rahman vraagt op 1
december een WW- uitkering aan. Per brief van 28 december deelt het UWV de heer Rahman mee
dat hij geen recht op een WW-uitkering heeft, omdat hij niet onvrijwillig werkloos is. De heer
Rahman vraagt op 15 januari een Pw - uitkering aan. Stel dat de heer Rahman aan de voorwaarden
voor een PW-uitkering voldoet.
Vragen
1. Met ingang van welke datum heeft de heer Rahman recht op een Pw-uitkering?
Art. 44 lid 1 Pw. De bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan,
voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om
bijstand aan te vragen. Vraagt een Pw uitkering aan op 15 januari, ontvangt dan ook vanaf
15 januari een Pw uitkering.