Hoofdstuk 4 – Vraagstukken in Nederland
4.1 – De wereld van de waterschappen
Nederland – gevecht tegen het water (rivieren en zee)
Daarom kwamen er terpen (wierden -Gronings-) en dijken (2000 jaar geleden)
Voor nieuwe landbouwgrond werden nieuwe gebieden bedijkt samenwerking – waterschappen
vanaf middeleeuwen
Waterschappen:
Democratisch gekozen
Partijen
4-jarige stemming
Verschillen in keuzes tussen partijen
o Economie tegen landbouw bijv.
Taken waterschap:
Bescherming tegen hoogwater
o Storm en hoogwater weerstaan
o Inspectie en onderhoud
o Bijv. duinaanleg
o Ook recreatie/toerisme/natuurontwikkeling
Zorgen voor voldoende grond- en oppervlaktewater
o Zandgebieden grondwaterstand laag -> slecht voor natuurgebieden
Door landbouw/naaldbossen ook minder grondwater
Verdroging -> planten verdwijnen (zoals heide)
Zorgen voor een goede waterkwaliteit
o Oppervlaktewater is moeilijk schoon te houden (vooral door dichtbevolking)
o Slib en afval oorzaken watervervuiling
Zuivering van afvalwater
o Gebeurt in rioolzuiveringsinstallaties
o Bezinken en zeven -> water schoon
o 95% schoon water -> kan in rivieren en meren
o Wat overblijft -> slib -> biogas/papier/kunstmest van gemaakt
Is NL veilig? niet helemaal, denk aan bijna overstroming in 1995 gevoel van veiligheid verdwijnt
Ook verandering vanwege klimaatverandering (onvoorziene omstandigheden) -> meer regenval
bijv.?
4.2 – De stroomgebieden van Rijn en Maas
Rivieren -> veel invloed op ruimtelijke inrichting Nederland
o Vormen NL
o Door overstroming -> opnieuw inrichting
, Stroomgebied (gebied dat water afvoert via één hoofdrivier met zijrivieren)
Rijn: stroomgebied 185 duizend km2
o Komt vanuit Alpen
o Regenval en smeltende gletsjers
o Stroomstelsel (stelsel van hoofdrivier en zijrivieren) is sterk vertakt (in Moezel, Ruhr
en IJssel bijv.)
Maas: stroomgebied 35.000 km2
o Vanuit noordoosten FR
o In bovenloop (gedeelte van een rivier dicht bij de bron) = geen gletsjers
regenrivier
Grens tussen twee rivieren = waterscheiding bepaald door hoogste delen in het landschap
(waterscheiding Rijn en Maas = Ardennen/Zwarte Woud)
Hoeveel water komt er in de rivier? 5 factoren:
Hoeveelheid neerslag
Hoeveelheid verdamping (via oppervlakte/vegetatie)
Hoeveel wordt er vastgehouden (retentie)
Hoeveel water wordt er opgeslagen (bergen – in langzaam stromend en stilstaand water)
Hoeveel water wordt er gebruikt (door mensen en natuur)
Retentie/berging vertraagt en houdt water vast als dat veel is = vertragingstijd: lang
Hoeveelheid water op één moment afgegeven = debiet
Verdeling over het jaar = regiem
Maximale afvoer rivier – veel neerslag en/of smeltwater piekafvoer
Eigenschappen rivier: schematisch afbeelden bijv. lengteprofiel
Hoogte rivier laten zien
Hoogte water laten zien
Verval = hoogteverschil tussen twee punten
Verhang = verval in meters per kilometer
Een rivier wordt in de middenloop en benedenloop bijna altijd dieper
Dwarsprofiel = doorsnede rivier overdwars (kun je bijv. dijken/kribben/diepte op 1 punt zien)
Voor bedijking rivieren ongehinderd stromen bovenrivierengebied stroomsnelheid groter
zand uit bedding mee als slib beneden afgezet (lagergelegen gebieden = kommen)
Bij overstromingen in lagergelegen NL zand in rivierbedding – alleen klei afgezet gevolg:
oeverwallen kleiig en er kwam laagveen
Na 9e eeuw:
Bevolkingsgroei
Ontginning bossen en veen