Casusopdracht week 7
College 1: Inleiding in de communicatie
1. Wat is geen doel van een mediaboodschap?
a. Kennis overbrengen
b. Discussies veroorzaken
c. Houding veranderen
d. Gedrag veranderen
2. Hoe heet het als een ontvanger de boodschap omzet in gedachtes?
a. Terugkoppelen
b. Encoderen
c. Decoderen
d. Ruis
3. Bij welke vorm van communicatie gaat het over het communiceren met anderen?
a. Intrapersoonlijk communicatie
b. Interpersoonlijke communicatie
c. Massacommunicatie
d. Non-verbale communicatie
College 2: Non verbale communicatie
4. Welke basisbehoefte staat er bovenaan de piramide van Maslow?
a. Sociale acceptatie
b. Waardering
c. Fysiologische behoeften
d. Zelfontplooiing
5. Onder wat voor een soort communicatie valt: beeldende, situatie gebonden
communicatie zoals miauw?
a. Analoge communicatie
b. Metacommunicatie
c. Incongruentie
d. Digitale communicatie
6. Wat betekent metataal?
a. Bewegingen die we ons hebben aangeleerd om iets duidelijk te maken
b. Reageren op de aanwezigheid van anderen
c. Taal binnen de taal wat een andere betekenis geeft aan woorden dan de
gewoon spreektaal
d. Alles wat aangeeft hoe de woorden moeten worden opgevat
, College 3: Interpersoonlijke communicatie
7. Wat hoeft niet geregeld te worden voor bevredigend contact (Argyle):
a. Non-verbale reacties
b. Standaardreacties
c. Gespreksregulatie
d. Gevoelige gespreksonderwerpen
8. Welke zijnswijze hoort niet bij de transactionele analyse (TA)
a. Tiener-zijnswijze
b. Ouder-zijnswijze
c. Kind-zijnswijze
d. Volwassenen-zijnswijze
9. Wie opent het gesprek in de dramadriehoek?
a. Aanklager
b. Slachtoffer
c. Gespreksleider
d. Redder
College 4: Interculturele communicatie
10. Welk land heeft een hoge machtsafstand?
a. Nederland
b. Nieuw Zeeland
c. Irak
d. Verenigde staten
11. Onder welke dimensie valt: de mate waarin mensen proberen hun verlangens en
impulsen te beheersen op basis van de manier waarop ze zijn opgevoed?
a. Korte termijn – lange termijn oriëntatie
b. Lage onzekerheidsvermijding – hoge onzekerheidsvermijding
c. Terughoudendheid – toegeeflijkheid
d. Collectivisme – individualisme
12. Welk land heeft een lage onzekerheidsvermijding?
a. India
b. Japan
c. Nederland
d. Argentinië
College 5: Hoofdstuk 1, 2 en 3 van Media en publiek
13. Bij welke propagandatechniek hoort: aanduiden van een persoon, product of idee
met een woord dat een positieve connotatie heeft?
a. Name calling
b. Card stacking
c. Glittering generality
d. Testimonial
College 1: Inleiding in de communicatie
1. Wat is geen doel van een mediaboodschap?
a. Kennis overbrengen
b. Discussies veroorzaken
c. Houding veranderen
d. Gedrag veranderen
2. Hoe heet het als een ontvanger de boodschap omzet in gedachtes?
a. Terugkoppelen
b. Encoderen
c. Decoderen
d. Ruis
3. Bij welke vorm van communicatie gaat het over het communiceren met anderen?
a. Intrapersoonlijk communicatie
b. Interpersoonlijke communicatie
c. Massacommunicatie
d. Non-verbale communicatie
College 2: Non verbale communicatie
4. Welke basisbehoefte staat er bovenaan de piramide van Maslow?
a. Sociale acceptatie
b. Waardering
c. Fysiologische behoeften
d. Zelfontplooiing
5. Onder wat voor een soort communicatie valt: beeldende, situatie gebonden
communicatie zoals miauw?
a. Analoge communicatie
b. Metacommunicatie
c. Incongruentie
d. Digitale communicatie
6. Wat betekent metataal?
a. Bewegingen die we ons hebben aangeleerd om iets duidelijk te maken
b. Reageren op de aanwezigheid van anderen
c. Taal binnen de taal wat een andere betekenis geeft aan woorden dan de
gewoon spreektaal
d. Alles wat aangeeft hoe de woorden moeten worden opgevat
, College 3: Interpersoonlijke communicatie
7. Wat hoeft niet geregeld te worden voor bevredigend contact (Argyle):
a. Non-verbale reacties
b. Standaardreacties
c. Gespreksregulatie
d. Gevoelige gespreksonderwerpen
8. Welke zijnswijze hoort niet bij de transactionele analyse (TA)
a. Tiener-zijnswijze
b. Ouder-zijnswijze
c. Kind-zijnswijze
d. Volwassenen-zijnswijze
9. Wie opent het gesprek in de dramadriehoek?
a. Aanklager
b. Slachtoffer
c. Gespreksleider
d. Redder
College 4: Interculturele communicatie
10. Welk land heeft een hoge machtsafstand?
a. Nederland
b. Nieuw Zeeland
c. Irak
d. Verenigde staten
11. Onder welke dimensie valt: de mate waarin mensen proberen hun verlangens en
impulsen te beheersen op basis van de manier waarop ze zijn opgevoed?
a. Korte termijn – lange termijn oriëntatie
b. Lage onzekerheidsvermijding – hoge onzekerheidsvermijding
c. Terughoudendheid – toegeeflijkheid
d. Collectivisme – individualisme
12. Welk land heeft een lage onzekerheidsvermijding?
a. India
b. Japan
c. Nederland
d. Argentinië
College 5: Hoofdstuk 1, 2 en 3 van Media en publiek
13. Bij welke propagandatechniek hoort: aanduiden van een persoon, product of idee
met een woord dat een positieve connotatie heeft?
a. Name calling
b. Card stacking
c. Glittering generality
d. Testimonial