Pathologie van het Bewegen
Deeltentamen II – Artrose, CVA, Schouderklachten en
Amputatie
Artrose ............................................................................................................................. 2
Kingma – Artrose .................................................................................................................................. 2
CVA ................................................................................................................................ 12
Kwakkel (2004) – Understanding the pattern of functional recovery after stroke ........................... 12
Austin (2014) – Aerobic exercise effects on neuroprotection and brain repair following stroke ..... 17
Schouderklachten ........................................................................................................... 20
Veeger (2007) – Shoulder function: The perfect compromise between mobility and stability ........ 20
Amputatie ...................................................................................................................... 25
Houdijk (2012) – Assessing Gait Adaptability in People with a Unilateral Amputation (…) .............. 25
Wezenberg (2013) – Relation Between Aerobic Capacity and Walking Ability (…)........................... 28
Afkortingen .................................................................................................................... 31
,Artrose
Kingma – Artrose
1 Inleiding
Artrose is een groep ziektebeelden met een verschillende etiologie maar een gelijke biologische,
morfologische en klinische uitkomst. Het is een aandoening van het hele gewricht incl. subchondraal
bot, kraakbeen, ligamenten, kapsel, synoviale membraan en periarticulaire spieren. De Engelse term
osetoarthritis veronderstelt een ontstekingsproces, terwijl dit niet (primair) het geval is. Ook de
volksterm ‘slijtage’ is niet geheel correct.
Prevalentiecijfers zijn nogal divers, mede door het moeilijk onderscheid tussen ‘lichte’ en geen
verschijnselen. In autopsie studies vindt men in 90% (degeneratie veranderingen in gewrichten die
niet per se tot symptomen leiden) bij 40-jarigen, bij röntgenonderzoek 52% artose in een volwassen
populaie, maar 20% met strengere criteria. Van 55-64 jarigen had 85% enige mate van artrose in één
of meer gewrichten.
Incidentiecijfers naar eigen opgaven: mannen 50+ 4.9 en vrouwen 7.0 per 1000 personen, onder de
50 is dit 2.6 en 2.7, boven de 70 jaar bedraagt incidentie van alleen de knie al ongeveer 1%.
1.1 Artrose: welke gewrichten
Artrose kan ik principe in alle synoviale gewrichten voorkomen. Op 65-jarige leeftijd heeft iedereen
het wel ergens een beetje. Artrose aan handen en voeten leidt niet vaak tot ernstige handicaps, i.t.t.
knieën en heupen. Van de 65-jarigen heeft zo’n 12% symptomatische artrose (70% incl. niet-
symptomatisch) in de knie en rond 4% (10% incl. niet-symptomatisch) in de heup. Andere locaties
zijn lumbale en cervicale wervelkolom, schouder, (en soms enkel en elleboog). Het gaat in dit artikel
specifiek over artrose van de knie en heup.
1.2 Symptomen
Pijn rond het gewricht staat op de voorgrond, deze is diffuus en neemt toe bij belasting.
Röntgenologisch bewijs van artrose is meestal het bestaan van osteofyten1 of vernauwing van de
gewrichtsspleet (duidt op verdwijnen kraakbeenlaag, progressie 0.13 mm per jaar). Dit heeft echter
een slechte correlatie met pijn: osteofyten kunnen ook zonder dat artrose ontstaat ontwikkelen en
kraakbeen is niet geïnnerveerd, de pijn is dus gerelateerd aan meer secundaire verschijnselen.
Secundaire verschijnselen die pijn kunnen veroorzaken:
1. Trek aan het periost door botvorming aan de randen;
2. Directe druk van het andere botstuk op subchondraal bot, doordat het kraakbeen geheel
verdwenen is;
3. Veneuze intramedullaire hypertensie doordat de druk niet meer goed over het bot verdeeld
wordt;
4. Trabeculaire microfacturen dan wel het reparatiemechanisme dat hierop volgt;
5. Beschadiging of ontsteking van kapsel, intra-articulaire ligamenten of synoviale membraan;
6. Zwelling in het beenmerg (gevonden bij 36% van mensen met symptomatische artrose
tegenover 2% bij niet-symptomatische artrose).
Mensen met symptomatische artrose blijken een sterkere reactie op pijnprikkels te vertonen, zelfs in
niet-aangedane ledematen (mogelijke fysiologische achtergrond: Verdwijnt vaak na reconstructie.)
Vaak is er sprake van crepitaties (kraken), ochtendstijfheid (zo’n 15 minuten), en een verminderde
ROM (bij heup als eerste interne rotatie). De verschijnselen kunnen uiteindelijk tot een ernstige
handicap leiden, waarbij de knie of heup vaak vervangen wordt. Dit kan maar één keer en de
protheses gaan niet lang mee (ook heeft de operatie uiteraard ook z’n risico’s).
1 Botuitsteeksels aan de randen van het gewricht
, 1.3 Classificatie
Hiernaast een lijst met minimum criteria voor
verschijnselen die leiden tot de classificatie artrose
(let op: alleen te gebruiken voor screening:
sensitiviteit en specificiteit niet voldoende voor
diagnosestelling).
Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire
(ideopathische) en secundaire (met
identificeerbare onderliggende lokale of
systematische pathogene factor) artrose.
Voorbeelden van lokale factoren zijn intra-
articulaire fracturen, meniscectomieën, vkb-
reconstructies, etc. Een systematische factor is
bijvoorbeeld obesitas of genetische bepaald type
collageen in het kraakbeen.
Het ontwikkelen van artrose is mutlifactorieel
bepaald en zowel gewrichtsschade als predispositie
spelen een rol. Het onderscheid tussen primaire en
secundaire artrose is dus wellicht niet zo helder.
Daarnaast is de ‘incubatietijd’ tussen letsel en
artrose lang.
Sommige onderzoekers menen in de meeste
gevallen een primair defect te vinden
(secundaire artrose), terwijl anderen juist
meestal geen primair defect vinden
(primaire artrose). In de tabel hiernaast zie
je een classificatieschema voor artrose (let
op: deze klassen sluiten elkaar niet uit, en
het is meestal niet mogelijk artrose aan één
van deze klassen toe te kennen).