Het modale hulpwerkwoord
In de tegenwoordige tijd (o.t.t.)
können müssen wissen wollen dürfen mögen sollen
ich kann -- muss -- weiß -- will -- darf -- mag -- soll --
du st t t st st st st
er/sie/es -- -- -- -- -- -- --
wir könn en müss en wiss en woll en dürf en mög en soll en
ihr t t t t t t t
sie/Sie en en en en en en en
Het meervoud van deze werkwoorden is regelmatig.
In het enkelvoud zijn drie dingen onregelmatig (in rood aangegeven):
1 andere stamklinker (Pas op: bij “sollen” gebeurt dit niet!)
2 ich: geen uitgang
3 er / sie / es: geen uitgang
In de tegenwoordige tijd (o.t.t.)
können müssen wissen wollen dürfen mögen sollen
ich kann -- muss -- weiß -- will -- darf -- mag -- soll --
du st t t st st st st
er/sie/es -- -- -- -- -- -- --
wir könn en müss en wiss en woll en dürf en mög en soll en
ihr t t t t t t t
sie/Sie en en en en en en en
Het meervoud van deze werkwoorden is regelmatig.
In het enkelvoud zijn drie dingen onregelmatig (in rood aangegeven):
1 andere stamklinker (Pas op: bij “sollen” gebeurt dit niet!)
2 ich: geen uitgang
3 er / sie / es: geen uitgang