Inhoudsopgave
Les 1, Anatomie en fysiologie van het spijsverteringskanaal...........................................................................1
Les 2, Opname en vertering van voedingsmiddelen......................................................................................11
Les 3, Verpleegplan...................................................................................................................................... 21
Les 4, Voeding en ondervoeding................................................................................................................... 22
Les 5, Overgewicht en Obesitas.................................................................................................................... 29
Les 6, Pathologie spijsverteringsstelsel deel 1...............................................................................................32
Les 7, Pathologie spijsverteringsstelsel deel 2...............................................................................................36
Les 8, Diagnostiek van het spijsverteringsstelsel...........................................................................................40
Les 9 en 10, Anatomie en fysiologie van de nieren........................................................................................44
Les 11, Anatomie en fysiologie van het urinewegstelsel en vochthuishouding...............................................52
Les 12, Nierinsufficiëntie.............................................................................................................................. 57
Les 13, Dialyse en niertransplantatie............................................................................................................ 62
Les 14, Pathologie van de nieren en urinewegen.......................................................................................... 66
Les 15, Urine-incontinentie.......................................................................................................................... 69
Les 1, Anatomie en fysiologie van het spijsverteringskanaal
,Het spijsverteringskanaal
Spijsverteringsfuncties:
- Ingestie: Voedsel komt via de mond het spijsverteringkanaal binnen.
- Mechanische verwerking: Fysieke bewerking van voedsel waardoor enzymen het
gemakkelijker kunnen afbreken.
- Vertering/digestie: Chemische afbraak van voedsel. Er ontstaan kleine organische
bouwstoffen.
- Secretie: Afgifte water, zuren, enzymen en buffers door epitheel van
spijsverteringskanaal en door accessoire organen.
- Opname/Absorptie: Verplaatsing van kleine organische moleculen, elektrolyten,
vitaminen en water door het dekweefsel van het verteringskanaal naar de
interstitiële vloeistof rond het spijsverteringskanaal.
- Uitscheiding: Verwijdering afvalstoffen.
- Motiliteit: Een orgaan dat beweegt.
Homeostase:
- Spijsvertering levert de brandstof en bouwstoffen.
- Circulatie vervoert brand- en bouwstoffen.
- Ademhaling en circulatie werken samen om zuurstof aan te voeren.
Mondholte, gebitselementen, tong
,Functies mondholte:
- Onderzoek voedsel via tastzintuigen.
- Mechanische beweging door gebitselementen, tong en gehemelte.
- Bevochtigen van voedsel door dit met slijm en speeksel te mengen.
- Vertering door speekselenzymen.
Functies tong:
- Mechanische bewerking.
- Manipulatie om te helpen met kauwen en slikken.
- Onderzoek van voedsel via tastzintuigen.
De oorspeekselklieren, ondertongspeekselklieren en onderkaakspieren geven hun
klierproducten aan de mondholte af.
Functies speeksel:
- Mond bevochtigen.
- Chemische stoffen oplossen.
- Mondoppervlakken schoonspoelen.
- Bacteriegroei beperken.
Functies gebitselementen:
- Voedsel kleinmaken/kauwen/masticatie. (Gebitselementen bestaan voornamelijk uit
dentine.)
Farynx/Keelholte
, Functies:
- Doorgang voedsel, vloeistoffen en lucht.
- Door contracties keelspieren voedsel naar oesophagus.
Fases slikken:
1. Oraal: Voedsel vormen tot stevige bolus die naar de farynx gaat (1 seconde).
2. Faryngeaal: Bolus gaat naar de oesophagus/slokdarm. Larynx/Strottenhoofd beweegt
zich omhoog, epiglottis/strottenklepje beweegt zich omlaag en de glottis wordt
gesloten (1 seconde).
3. Oesophageaal: Peristaltiek richting de onderste oesofaguskringspier, naar de maag
(4-6 seconden).
Verdere uitwerking van slikken:
1. Oraal: Willekeurig.
2. Faryngeaal: Reflexmatig.
o Verhemeltebogen en farynxwand impulsen naar slikcentrum (complex van
vele motorische kernen).
o Kruising ademweg en voedselweg.
o Verwijden onderste deel van farynx, spijsbrok naar de slokdarm (niet meer te
onderbreken).
o Ademcentrum wordt geremd.
o Reflex bij ‘zachte’ prikkeling. Ruwe prikkeling geeft omgekeerde spieractiviteit
(walgreflex) Kokhalsen Braken.
3. Oesophageaal: Reflexmatig.
Oesofagus/Slokdarm
Functies:
- Voedsel en vloeistoffen van de farynx naar de maag door een opening in het
diafragma/hiatus esophageus.
Maag
Les 1, Anatomie en fysiologie van het spijsverteringskanaal...........................................................................1
Les 2, Opname en vertering van voedingsmiddelen......................................................................................11
Les 3, Verpleegplan...................................................................................................................................... 21
Les 4, Voeding en ondervoeding................................................................................................................... 22
Les 5, Overgewicht en Obesitas.................................................................................................................... 29
Les 6, Pathologie spijsverteringsstelsel deel 1...............................................................................................32
Les 7, Pathologie spijsverteringsstelsel deel 2...............................................................................................36
Les 8, Diagnostiek van het spijsverteringsstelsel...........................................................................................40
Les 9 en 10, Anatomie en fysiologie van de nieren........................................................................................44
Les 11, Anatomie en fysiologie van het urinewegstelsel en vochthuishouding...............................................52
Les 12, Nierinsufficiëntie.............................................................................................................................. 57
Les 13, Dialyse en niertransplantatie............................................................................................................ 62
Les 14, Pathologie van de nieren en urinewegen.......................................................................................... 66
Les 15, Urine-incontinentie.......................................................................................................................... 69
Les 1, Anatomie en fysiologie van het spijsverteringskanaal
,Het spijsverteringskanaal
Spijsverteringsfuncties:
- Ingestie: Voedsel komt via de mond het spijsverteringkanaal binnen.
- Mechanische verwerking: Fysieke bewerking van voedsel waardoor enzymen het
gemakkelijker kunnen afbreken.
- Vertering/digestie: Chemische afbraak van voedsel. Er ontstaan kleine organische
bouwstoffen.
- Secretie: Afgifte water, zuren, enzymen en buffers door epitheel van
spijsverteringskanaal en door accessoire organen.
- Opname/Absorptie: Verplaatsing van kleine organische moleculen, elektrolyten,
vitaminen en water door het dekweefsel van het verteringskanaal naar de
interstitiële vloeistof rond het spijsverteringskanaal.
- Uitscheiding: Verwijdering afvalstoffen.
- Motiliteit: Een orgaan dat beweegt.
Homeostase:
- Spijsvertering levert de brandstof en bouwstoffen.
- Circulatie vervoert brand- en bouwstoffen.
- Ademhaling en circulatie werken samen om zuurstof aan te voeren.
Mondholte, gebitselementen, tong
,Functies mondholte:
- Onderzoek voedsel via tastzintuigen.
- Mechanische beweging door gebitselementen, tong en gehemelte.
- Bevochtigen van voedsel door dit met slijm en speeksel te mengen.
- Vertering door speekselenzymen.
Functies tong:
- Mechanische bewerking.
- Manipulatie om te helpen met kauwen en slikken.
- Onderzoek van voedsel via tastzintuigen.
De oorspeekselklieren, ondertongspeekselklieren en onderkaakspieren geven hun
klierproducten aan de mondholte af.
Functies speeksel:
- Mond bevochtigen.
- Chemische stoffen oplossen.
- Mondoppervlakken schoonspoelen.
- Bacteriegroei beperken.
Functies gebitselementen:
- Voedsel kleinmaken/kauwen/masticatie. (Gebitselementen bestaan voornamelijk uit
dentine.)
Farynx/Keelholte
, Functies:
- Doorgang voedsel, vloeistoffen en lucht.
- Door contracties keelspieren voedsel naar oesophagus.
Fases slikken:
1. Oraal: Voedsel vormen tot stevige bolus die naar de farynx gaat (1 seconde).
2. Faryngeaal: Bolus gaat naar de oesophagus/slokdarm. Larynx/Strottenhoofd beweegt
zich omhoog, epiglottis/strottenklepje beweegt zich omlaag en de glottis wordt
gesloten (1 seconde).
3. Oesophageaal: Peristaltiek richting de onderste oesofaguskringspier, naar de maag
(4-6 seconden).
Verdere uitwerking van slikken:
1. Oraal: Willekeurig.
2. Faryngeaal: Reflexmatig.
o Verhemeltebogen en farynxwand impulsen naar slikcentrum (complex van
vele motorische kernen).
o Kruising ademweg en voedselweg.
o Verwijden onderste deel van farynx, spijsbrok naar de slokdarm (niet meer te
onderbreken).
o Ademcentrum wordt geremd.
o Reflex bij ‘zachte’ prikkeling. Ruwe prikkeling geeft omgekeerde spieractiviteit
(walgreflex) Kokhalsen Braken.
3. Oesophageaal: Reflexmatig.
Oesofagus/Slokdarm
Functies:
- Voedsel en vloeistoffen van de farynx naar de maag door een opening in het
diafragma/hiatus esophageus.
Maag