Algemene economie en financieel management tentamen
Allocatieve efficiëntie: doelgerichtheid. Produceren wat de markt vraagt.
Statische efficiëntie: doelmatigheid. Produceren met de geringst mogelijke inzet van
arbeid, kapitaal en natuur.
Dynamische efficiëntie: de toepassing en ontwikkeling van nieuwe producten en
technieken.
Hoogconjunctuur:
- Bestedingsniveau is hoog
- Toename import
- Hoog producentenvertrouwen
- Hogere rente
- Belasting op milieu neemt toe
Laagconjunctuur:
- Productiecapaciteit niet volledig benut
- Geringe druk op de lonen
- Stijgende werkloosheid
- Afname inflatie
- Toename overheidstekort
Anticyclisch begrotingsbeleid (A)
Procyclisch begrotingsbeleid (P)
1: Conjunctuurpolitiek
Anticyclisch begrotingsbeleid
Passief conjunctuurbeleid
Automatische stabilisatoren
Structureel begrotingsbeleid: overheidsbestedingen volgen de trendmatige groei van
de economie
Actief conjunctuurbeleid
Overheidsbestedingen en belastingen variëren met de conjunctuur
Structureel begrotingsbeleid
Overheidsbestedingen en belastingtarieven variëren niet met de conjunctuur
overheidsbestedingen volgen de trendmatige groei van de economie inkomsten ademen
mee met de conjunctuur.
, BBP trendmatig > of < dan BBP feitelijk
| |
O trendmatig B feitelijk
| |
Structureel tekort > of <
dan het feitelijk tekort
Risico’s actief anticyclisch begrotingsbeleid:
Oplopende staatschuld
o Rente
Timing
Importlek
Politiek: korte termijn scoringsdrift
Te optimistische groeiverwachtingen
Staatschuldquote
De noemer:
Groeivermogen van de economie
Inflatie
De teller:
Begrotingstekort
Privatiseringsoperaties
Bankensteun
Rekenmodel CPB
Parameter Toelichting
Bbp-volumegroei Hoe hoger de groei van het bbp, des te lager de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Inflatie Hoe hoger de inflatie, des te lager de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Nominale rente lang Hoe hoger de lange rente, des te hoger de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Nominale rente kort Hoe hoger de korte rente, des te hoger de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Overheidssaldo excl. rentebepalingen Hoe hoger het overheidssaldo (groter positief of
(%bbp) minder negatief), des te lager de overheidsschuld
als percentage van het bbp
Hogere inflatie -->
Voordeel: daling staatschuld
Nadeel: stijging rentelasten
Monetair beleid
Instrumenten:
Renteverlagingen
Kapitaalinjecties (staatssteun financiële ondernemingen)
Opkopen obligaties
Effectiviteit?
Renteverlagingen en kapitaalinjecties worden door banken niet doorgegeven maar
gebruikt voor balans herstel
Idem dito m.b.t. bedrijven en consumenten
Investeringen regeren niet op rente, maar op afzetverwachting
Daling € ten opzichte van $ heeft €-zone economie gestimuleerd
Allocatieve efficiëntie: doelgerichtheid. Produceren wat de markt vraagt.
Statische efficiëntie: doelmatigheid. Produceren met de geringst mogelijke inzet van
arbeid, kapitaal en natuur.
Dynamische efficiëntie: de toepassing en ontwikkeling van nieuwe producten en
technieken.
Hoogconjunctuur:
- Bestedingsniveau is hoog
- Toename import
- Hoog producentenvertrouwen
- Hogere rente
- Belasting op milieu neemt toe
Laagconjunctuur:
- Productiecapaciteit niet volledig benut
- Geringe druk op de lonen
- Stijgende werkloosheid
- Afname inflatie
- Toename overheidstekort
Anticyclisch begrotingsbeleid (A)
Procyclisch begrotingsbeleid (P)
1: Conjunctuurpolitiek
Anticyclisch begrotingsbeleid
Passief conjunctuurbeleid
Automatische stabilisatoren
Structureel begrotingsbeleid: overheidsbestedingen volgen de trendmatige groei van
de economie
Actief conjunctuurbeleid
Overheidsbestedingen en belastingen variëren met de conjunctuur
Structureel begrotingsbeleid
Overheidsbestedingen en belastingtarieven variëren niet met de conjunctuur
overheidsbestedingen volgen de trendmatige groei van de economie inkomsten ademen
mee met de conjunctuur.
, BBP trendmatig > of < dan BBP feitelijk
| |
O trendmatig B feitelijk
| |
Structureel tekort > of <
dan het feitelijk tekort
Risico’s actief anticyclisch begrotingsbeleid:
Oplopende staatschuld
o Rente
Timing
Importlek
Politiek: korte termijn scoringsdrift
Te optimistische groeiverwachtingen
Staatschuldquote
De noemer:
Groeivermogen van de economie
Inflatie
De teller:
Begrotingstekort
Privatiseringsoperaties
Bankensteun
Rekenmodel CPB
Parameter Toelichting
Bbp-volumegroei Hoe hoger de groei van het bbp, des te lager de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Inflatie Hoe hoger de inflatie, des te lager de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Nominale rente lang Hoe hoger de lange rente, des te hoger de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Nominale rente kort Hoe hoger de korte rente, des te hoger de
overheidsschuld als percentage van het bbp
Overheidssaldo excl. rentebepalingen Hoe hoger het overheidssaldo (groter positief of
(%bbp) minder negatief), des te lager de overheidsschuld
als percentage van het bbp
Hogere inflatie -->
Voordeel: daling staatschuld
Nadeel: stijging rentelasten
Monetair beleid
Instrumenten:
Renteverlagingen
Kapitaalinjecties (staatssteun financiële ondernemingen)
Opkopen obligaties
Effectiviteit?
Renteverlagingen en kapitaalinjecties worden door banken niet doorgegeven maar
gebruikt voor balans herstel
Idem dito m.b.t. bedrijven en consumenten
Investeringen regeren niet op rente, maar op afzetverwachting
Daling € ten opzichte van $ heeft €-zone economie gestimuleerd