1. Een beleggingspand valt in:
a. Box 1;
b. Box 2;
c. Box 3;
d. In geen van de 3 Boxen
2. Tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt niet gerekend:
a. Evenredigheidsbeginsel;
b. Profijtbeginsel;
c. Vertrouwensbeginsel;
d. Fair play;
3. De belasting op het belastbare inkomen in Box 3 bedraagt:
a. 1,2%
b. 4%
c. 19%
d. 30%
4. De Inspecteur mag nog een navorderingsaanslag vaststellen binnen X jaren na
het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Hoeveel bedraagt X ?
a. 1 jaar;
b. 3 jaren;
c. 5 jaren;
d. 7 jaren;
6. Als heffingskorting wordt niet beschouwd:
a. de doorwerkbonus;
b. de jongerenkorting;
c. de levensloopverlofkorting;
d. de korting voor maatschappelijke beleggingen;
7. De toezichthouder op de waardebepaling en de waardevaststelling van
onroerende zaken is:
a. De Waarderingskamer;
b. De Pachtkamer;
c. De Grondkamer;
d. De Dienst der Domeinen;