Hoofdstuk 5
Toets 1
1. Als elke inkomensgroep een evenredig deel zou verdienen, hoe ziet de Lorenzcurve er
dan uit?
AntwoordDeze valt samen met de diagonaal.
Als elke inkomensgroep een evenredig deel zou verdienen, zou de 10% laagste inkomens ook 10%
van het inkomen moeten verdienen, de laagste 20% zou dan 20% verdienen enzovoorts. Dan zou de
Lorenzcurve samenvallen met de diagonaal. (Zie subparagraaf 5.1.1.)
2. stelling: Stijgende brandstof- en energieprijzen, als gevolg van stijgende olieprijzen,
leiden tot stijging van het reële huishoudensinkomen.
Antwoord onjuist
Stijgende brandstof- en energieprijzen leiden tot een daling van het reële huishoudensinkomen. (Zie
subparagraaf 5.1.1.)
3. Het reële huishoudeninkomen kan stijgen door:
supermarktoorlogen
Door supermarktoorlogen dalen de prijzen van levensmiddelen, waardoor met hetzelfde inkomen meer
kan worden gekocht. Het reële inkomen stijgt. (Zie subparagraaf 5.1.1.)
4. Het ontslaan van oudere werknemers betekent dat de participatiegraad:
Antwoord daalt
Het ontslaan van oudere werknemers betekent dat zij niet meer actief deelnemen aan het
arbeidsproces, waardoor de participatiegraad daalt. (Zie subparagraaf 5.1.2.)
5. stelling: Een lage I/A-ratio betekent dat weinig actieve inkomens de inactieve
inkomens moeten opbrengen.
Antwoord onjuist
Een lage I/A-ratio betekent dat er relatief veel actieve inkomens zijn die de inactieve inkomens moeten
opbrengen. (Zie subparagraaf 5.2.1.)
6. Door machtsvorming op de arbeidsmarkt:
antwoordkomen op de arbeidsmarkt lonen tot stand die de verschillen in arbeidsproductiviteit
minder goed weerspiegelen
Machtsvorming op de arbeidsmarkt heeft tot gevolg dat in de lonen die tot stand komen, de verschillen
in arbeidsproductiviteit minder goed worden weerspiegeld. (Zie subparagraaf 5.1.2.)
7. De netto-nettokoppeling houdt in dat:
antwoordde netto-uitkering een vast percentage van het nettominimumloon bedraagt
De netto-nettokoppeling betekent dat de netto-uitkering een vast percentage van het
nettominimumloon bedraagt. (Zie subparagraaf 5.2.2.)
Toets 1
1. Als elke inkomensgroep een evenredig deel zou verdienen, hoe ziet de Lorenzcurve er
dan uit?
AntwoordDeze valt samen met de diagonaal.
Als elke inkomensgroep een evenredig deel zou verdienen, zou de 10% laagste inkomens ook 10%
van het inkomen moeten verdienen, de laagste 20% zou dan 20% verdienen enzovoorts. Dan zou de
Lorenzcurve samenvallen met de diagonaal. (Zie subparagraaf 5.1.1.)
2. stelling: Stijgende brandstof- en energieprijzen, als gevolg van stijgende olieprijzen,
leiden tot stijging van het reële huishoudensinkomen.
Antwoord onjuist
Stijgende brandstof- en energieprijzen leiden tot een daling van het reële huishoudensinkomen. (Zie
subparagraaf 5.1.1.)
3. Het reële huishoudeninkomen kan stijgen door:
supermarktoorlogen
Door supermarktoorlogen dalen de prijzen van levensmiddelen, waardoor met hetzelfde inkomen meer
kan worden gekocht. Het reële inkomen stijgt. (Zie subparagraaf 5.1.1.)
4. Het ontslaan van oudere werknemers betekent dat de participatiegraad:
Antwoord daalt
Het ontslaan van oudere werknemers betekent dat zij niet meer actief deelnemen aan het
arbeidsproces, waardoor de participatiegraad daalt. (Zie subparagraaf 5.1.2.)
5. stelling: Een lage I/A-ratio betekent dat weinig actieve inkomens de inactieve
inkomens moeten opbrengen.
Antwoord onjuist
Een lage I/A-ratio betekent dat er relatief veel actieve inkomens zijn die de inactieve inkomens moeten
opbrengen. (Zie subparagraaf 5.2.1.)
6. Door machtsvorming op de arbeidsmarkt:
antwoordkomen op de arbeidsmarkt lonen tot stand die de verschillen in arbeidsproductiviteit
minder goed weerspiegelen
Machtsvorming op de arbeidsmarkt heeft tot gevolg dat in de lonen die tot stand komen, de verschillen
in arbeidsproductiviteit minder goed worden weerspiegeld. (Zie subparagraaf 5.1.2.)
7. De netto-nettokoppeling houdt in dat:
antwoordde netto-uitkering een vast percentage van het nettominimumloon bedraagt
De netto-nettokoppeling betekent dat de netto-uitkering een vast percentage van het
nettominimumloon bedraagt. (Zie subparagraaf 5.2.2.)