Boek 1: Recht in Context, hoofdstuk 8: Strafbare feiten, strafbaar handelen: legaliteit en strafrecht, paragraaf
1,4,5 en 6, hoofdstuk 11: Recht als praktijk: de rechtspraak, paragraaf 3
Hoofdstuk 8, Paragraaf 1: Wederrechtelijk handelen
De wederrechtelijke handeling is de centrale categorie waar het systeem van het strafrecht rond is
georganiseerd. Dit is gedaan vanuit de vraag: hoe kan op een goede manier op dat wederrechtelijk
handelen worden gereageerd?
Strafrecht: waarborgt een aantal waarden, als deze worden aangetast wordt dit gedrag als
wederrechtelijk bestempeld en wordt er mogelijk een sanctie opgelegd. Wel beschermt het strafrecht
ook de waarden van de verdachte.
Hoofdstuk 8, Paragraaf 4: De toegang tot het recht: het begin van opsporing en vervolging
Grondwet: ‘buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen’.
Op grond hiervan moeten inbreuken op de rechten van een burger en op zijn persoonlijke levenssfeer, een
grondslag hebben in de wet. (legaliteitsvereiste)
Procesrechtelijke regels voor de opsporing en vervolging van een verdachte:
1. Voordat de vervolging is aangevangen (Art. 27 lid 1 Sv): iemand wordt als verdachte beschouwd ‘te
wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit
voortvloeit’. Het redelijke vermoeden van schuld moet voortkomen uit meer dan alleen het
subjectieve vermoeden van een politieagent, de feiten en omstandigheden bepalen hierbij of het
vermoeden van schuld aan een strafbaar feit redelijk is (Hollende-kleurlingarrest). Ten slotte gaat ons
strafrecht uit van de onschuld van de verdachte totdat schuld bewezen is, dit wordt de
onschuldpresumptie genoemd.
2. Na de aanhouding wordt als verdachte aangemerkt degene tot wie de vervolging is gericht (Art. 27 lid
2 Sv). Een aanhouding mag gedaan worden door iedereen, als er sprake is van heterdaad, maar buiten
heterdaad is de officier van justitie de eerstbevoegde die opdracht kan geven tot aanhouding aan een
opsporingsambtenaar. In het geval van aanhouding door een burger, moet de verdachte wel zo snel
mogelijk worden overgedragen aan een opsporingsambtenaar (Art. 54 lid 3 Sv).
3. Na de aanhouding wordt de verdachte bij de voorgeleiding gehoord.
4. Als het in het belang van het onderzoek nodig is, wordt de verdachte in verzekering gesteld. Dit kan
alleen als het een feit betreft waar voorlopige hechtenis voor is toegestaan (Art. 63 e.v. Sv).
5. Hierna wordt de verdachte uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur gehoord door de rechter-
commissaris. Bij alle verhoren mag bijstand van een advocaat aanwezig zijn. Tevens wordt aan de
verdachte telkens medegedeeld dat hij niet verplicht is om antwoord te geven op vragen die gesteld
worden. Dit wordt de cautie genoemd (Art. 29 Sv). Hiermee wordt het nemo tenetur beginsel
beschermd: niemand is verplicht mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
6. Als de inverzekeringstelling rechtmatig wordt bevonden, kan er voorlopige hechtenis volgen. Dit kan
alleen in geval er sprake is van een misdrijf waar een gevangenisstraf van minstens vier jaar voor
staat (Art. 67 en 67a Sv). Ook moeten er in dit geval ernstige bezwaren zijn tegen de verdachte dat hij
vermoedelijk heeft gedaan wat hem wordt verweten. De wettelijk toegestane gronden voor
voorlopige hechtenis zijn vluchtgevaar van de verdachte, recidivegevaar, gevaar dat de verdachte
sporen zal proberen uit te wissen en omstandigheden dat de rechtsorde ernstig geschokt is door het
gepleegde delict.
7. Einde van het opsporingsonderzoek: de officier van justitie neemt een beslissing over de vervolging
van de verdachte. Hij bepaalt of de zaak bij de rechter terechtkomt, maar kan de zaak ook seponeren
(Art. 167 lid 2 Sv). Dit wordt het opportuniteitsbeginsel genoemd.
Taken van de rechter-commissaris:
Toezicht houden op de voortgang van het vooronderzoek, soms op eigen initiatief, maar ook op
verzoek van de procespartijen (Art. 170 lid 2 Sv).
Zelf onderzoekshandelingen verrichten, op verzoek van de officier van justitie (Art. 181 Sv) of op
verzoek van de verdachte (Art. 182 Sv).
Bedreigde getuigen horen (Art. 226a Sv).
, Toestemming geven voor het gebruik van bepaalde dwangmiddelen of het aanbrengen van een
telefoontap.
Vervolging door de officier van justitie zelf: sinds 2008 heeft de officier van justitie ook de
bevoegdheid om zelf vervolging in te stellen, door middel van een strafbeschikking (Art. 257a Sv). Hij
stelt dan zelf vast of een feit is gepleegd of niet. De verdachte kan hier wel bezwaar tegen maken (Art.
257 e Sv)
Hoofdstuk 8, Paragraaf 5: De dagvaarding en de terechtzitting
Als de officier van justitie het opportuun acht om de verdachte verder te vervolgen, stuurt hij een dagvaarding
en vindt er een terechtzitting plaats.
1. De rechter onderzoekt de geldigheid van de dagvaarding (Art. 348 Sv). Hierin wordt onderzocht of de
officier van justitie ontvankelijk is en de rechtbank bevoegd is en er redenen zijn tot schorsing van de
vervolging. De functie van de dagvaarding is het vermelden van de verdachte, maar ook de tijd en
plaats waarop hij moet verschijnen.
2. De dagvaarding moet minstens tien dagen voor de zitting aan de verdachte uitgereikt worden (Art.
265 lid 1 Sv).
3. De verdachte moet weten wat hem ten laste gelegd wordt, door middel van de dagvaarding (Art. 261
Sv). Hier moet in staan omstreeks welke tijd en op welke plaats het feit is begaan, de wettelijke
voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld en de omstandigheden waarin het feit is begaan. De
dagvaarding bevat vaak zowel primaire als subsidiaire tenlasteleggingen:
Primaire tenlastelegging: het feit dat de officier van justitie het liefst bewezen wil hebben.
Subsidiaire tenlastelegging: als het primaire feit niet kan worden bewezen, kan er nog een
tweede of derde etc. feit ten laste worden gelegd, zodat dat wel misschien nog bewezen kan
worden.
4. De dagvaarding moet geldig zijn, hiervoor moeten drie vragen beantwoord worden, dit zijn de formele
vragen:
Bevoegdheid van de rechter.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie: de officier van justitie kan in sommige gevallen alleen
vervolgen op basis van een klacht (Art. 349 lid 1 Sv) en de officier van justitie is bij vervolging
buiten Nederland niet-ontvankelijk als hij in de tenlastelegging wel een plaats in Nederland
noemt. De officier is ook niet-ontvankelijk als het strafbare feit is verjaard. Ook is de officier niet-
ontvankelijk bij feiten die administratief moeten worden afgehandeld.
Redenen voor schorsing van de vervolging.
5. Tot slot komt de vraag of het feit wettig en overtuigend bewezen is. Dit is een materiële vraag.
Bewijsmiddelen die wettig zijn:
Verklaringen van de verdachte.
Verklaringen van getuigen of deskundigen.
Schriftelijke bescheiden.
De eigen waarneming van de rechter (Art. 339 Sv).
6. Indien de rechter het feit niet bewezen acht, volgt er vrijspraak. Als de rechter oordeelt dat het feit
geen strafbaar feit is, volgt er ontslag van alle rechtsvervolging. Als het strafbare feit niet verweten
kan worden aan de verdachte, volgt er ook ontslag van alle rechtsvervolging.
Hoofdstuk 8, Paragraaf 6: Misdaad en straf
Strafbaar feit
Menselijke gedraging.
Delictsomschrijving: handelen of nalaten wat in een wettelijke bepaling als strafbaar is gesteld. De
bestanddelen van het strafbare feit moeten hiervoor worden nagelopen.
Wetboek van Strafrecht
Boek 1: algemene bepalingen.
Boek 2: misdrijven: de meest ernstige schendingen van wat in onze maatschappij als norm voor fatsoenlijk
gedrag kan worden gezien. Alleen de formele wetgever kan deze strafbaar stellen. Kan wel gevangenisstraf
voor gegeven worden.