Samenvatting bloed, hart en bloedvaten. (pathologie en anatomie)
Bloed
Het bloed bevat 3 bloedcellen:
Erytrocyten (rode bloedcellen)
Leukocyten (witte bloedcellen)
Trombocyten (bloedplaatjes)
Het bloed bevat ook bloedplasma. Bloedplasma is een heldere lichtgele vloeistof met een
samenstelling van:
Water
Plasma-eiwitten
Zouten
Voedingsstoffen (glucose, aminozuren, vetzuren, glycerol en vitaminen)
Hormonen
Afvalstoffen (ureum, urinezuur, koolstofdioxide en bilirubine)
Hematocriet waarde:
Hematocriet is het eiwit dat in de rode bloedcellen rood kleurt en instaat voor zuurstoftransport in
het bloed. De hematocriet waarde drukt uit hoeveel rode bloedcellen er te binden zijn in bepaalde
bloedvolume.
Hemaglobine:
Hb geeft aan of er voldoende aanmaak en vulling is van de rode bloedcellen. Hb is verantwoordelijk
voor het zuurstoftransport in het bloed.
Drie typen leukocyten
De leukocyten wordt ingedeeld in granulocyten en lymfocyten
Granulocyten
Dit zit in het celplasma. Dit bevat kleine korrels of granula. Belangrijkste taak van granulocyten is het
opeten van bacteriën. Deze cellen heten ook wel fagocyten (vreetcellen). Ze horen bij het
beschermen van onze weerstand. De fagocyten kunnen door de wanden van de haarvaten. Ook
buiten de bloedbaan vreten ze de bacteriën op om ze te verteren. Het besproken verschijnsel heet
fagocytose. In pus bevind zich veel fagocyten, hier bevinden nog oude en levende bacteriën en dode
weefselcellen.
Lymfocyten
Dit zorgt voor specifieke weerstand. De lymfocyten zijn gericht tegenover bepaalde bacteriën,
virussen en wordt immuniteit genoemd. Immunis = vrij, onvatbaar. Immuniteit is gericht op de
vorming van antistoffen (antilichamen) als reactie op binnengedrongen antigenen. Antigenen =
lichaamsvreemde stoffen. Die in het bloed of weefsel zijn gedrongen, waarbij het lichaam ze herkent.
De antistoffen maken vervolgens de binnengedrongen antigenen onschadelijk.
Bloed
Het bloed bevat 3 bloedcellen:
Erytrocyten (rode bloedcellen)
Leukocyten (witte bloedcellen)
Trombocyten (bloedplaatjes)
Het bloed bevat ook bloedplasma. Bloedplasma is een heldere lichtgele vloeistof met een
samenstelling van:
Water
Plasma-eiwitten
Zouten
Voedingsstoffen (glucose, aminozuren, vetzuren, glycerol en vitaminen)
Hormonen
Afvalstoffen (ureum, urinezuur, koolstofdioxide en bilirubine)
Hematocriet waarde:
Hematocriet is het eiwit dat in de rode bloedcellen rood kleurt en instaat voor zuurstoftransport in
het bloed. De hematocriet waarde drukt uit hoeveel rode bloedcellen er te binden zijn in bepaalde
bloedvolume.
Hemaglobine:
Hb geeft aan of er voldoende aanmaak en vulling is van de rode bloedcellen. Hb is verantwoordelijk
voor het zuurstoftransport in het bloed.
Drie typen leukocyten
De leukocyten wordt ingedeeld in granulocyten en lymfocyten
Granulocyten
Dit zit in het celplasma. Dit bevat kleine korrels of granula. Belangrijkste taak van granulocyten is het
opeten van bacteriën. Deze cellen heten ook wel fagocyten (vreetcellen). Ze horen bij het
beschermen van onze weerstand. De fagocyten kunnen door de wanden van de haarvaten. Ook
buiten de bloedbaan vreten ze de bacteriën op om ze te verteren. Het besproken verschijnsel heet
fagocytose. In pus bevind zich veel fagocyten, hier bevinden nog oude en levende bacteriën en dode
weefselcellen.
Lymfocyten
Dit zorgt voor specifieke weerstand. De lymfocyten zijn gericht tegenover bepaalde bacteriën,
virussen en wordt immuniteit genoemd. Immunis = vrij, onvatbaar. Immuniteit is gericht op de
vorming van antistoffen (antilichamen) als reactie op binnengedrongen antigenen. Antigenen =
lichaamsvreemde stoffen. Die in het bloed of weefsel zijn gedrongen, waarbij het lichaam ze herkent.
De antistoffen maken vervolgens de binnengedrongen antigenen onschadelijk.