DNA
Begrippen
1. Leg uit wat het verschil is tussen DNA replicatie en transcriptie.
Streng
Een bepaalde coderende streng is: TACACACGGAATGGGTAAAAAACT
2. Bepaal de volgorde van het mRNA die hoort bij de bovenstaande coderende
streng.
3. Bepaal de precieze aminozuurvolgorde die bij het mRNA hoort. (5’ en 3’ kant
is niet aangegeven, dus begin van links naar rechts)
Op een bepaald moment is een puntmutatie waar te nemen van het twaalfde thymine
codon.
4. Leg uit wat een puntmutatie is en wat dat voor gevolgen heeft voor een
aminozuur.
Recombinant-DNA-techniek
5. Wat gebeurt er bij recombinant-DNA-techniek?
A Twee verschillende organismen wisselen via plasmiden stukjes DNA uit
zodat er nieuwe combinaties ontstaan
B Een deel van het DNA van een organisme wordt in een ander organisme
gebracht
C Door het enzym reverse transcriptase wordt RNA omgezet in DNA. Dit
DNA heeft een andere combinatie van genen
D Een plasmide van een bacterie wordt overgebracht in een andere cel
Van klein naar groot
6. In welk rijtje staan de woorden in juiste volgorde van klein naar groot
A thymine - nucleotide - triplet - DNA-molecuul - chromosoom - gen -genoom
B thymine - triplet - gen - nucleotide -DNA-molecuul - chromosoom - genoom
C thymine - nucleotide - triplet - gen - DNA-molecuul - chromosoom - genoom
D thymine - nucleotide - triplet - gen -genoom - DNA-molecuul – chromosoom
,Mono-amine-oxydase-A
Op een bepaald chromosoom ligt het gen voor het enzym mono-amine-oxydase-A
(MAO-A). Dit enzym speelt een rol bij de normale afbraak van neurotransmitters,
stoffen in de hersenen die de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen verzorgen. Er
bestaat een genetisch defect dat de productie van het enzym MAO-A ontregelt.
Gevolg daarvan zou zijn dat de stofwisseling van de neurotransmitters als serotonine,
dopamine en noradrenaline in de hersenen verstoord is geraakt. Dit heeft weer tot
gevolg dat er agressief gedrag optreedt. Dit agressieve gedrag treedt voornamelijk bij
mannen op. Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad
bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding. Een gen is een drager van
erfelijke informatie.
7. Waarvan is een gen de code?
A een eiwit
B DNA
C RNA
D een aminozuur
Polypeptiden
Een mRNA bestaat uit 345 nucleotiden.
8. Uit hoeveel aminozuren bestaat de polypeptide?
Tasmaanse duivel door kanker met uitsterven bedreigd
Het grootste carnivore buideldier, de Tasmaanse duivel (Sarcophilus harrisii), dreigt
ten onder te gaan aan een besmettelijke vorm van aangezichtskanker: Devil Facial
Tumour Disease (DFTD). Biologen van verschillende disciplines zoals immunologen,
genetici en natuurbeheerders, verenigd in het ‘Save the Tasmanian Devil’ programma,
werken samen om de Tasmaanse duivel voor uitsterven te behoeden. In 1996 werden
de eerste Tasmaanse duivels met tumoren op de kop gesignaleerd. De oorzaak van
deze vorm van kanker was toen nog niet bekend. In eerste instantie zocht men naar
mogelijke oorzaken in het leefgebied. Later ontdekte men dat de besmetting tot stand
komt door onderlinge overdracht van tumorweefsel. De tumoren bevinden zich
namelijk altijd op de kop, en Tasmaanse duivels, zowel mannetjes als vrouwtjes, bijten
elkaar daar regelmatig tijdens gevechten om voedsel en tijdens het paren. Bovendien
breken delen van het tumorweefsel gemakkelijk af. Eenmaal besmet met DFTD is het
dier binnen een half jaar dood, vaak ten gevolge van verhongering.
Aanvankelijk dacht men dat kankerverwekkende stoffen in het milieu de oorzaak van
DFTD zouden kunnen zijn. Dit werd ingegeven door het feit dat de Tasmaanse duivel
een carnivoor is.
9. Waarom leek dit aannemelijk, juist omdat de Tasmaanse duivel carnivoor is?
, Als mogelijke effecten die een kankerverwekkende stof op levende cellen kan hebben,
worden genoemd:
1 Replicatiefouten worden tijdens de celcyclus niet hersteld;
2 De geprogrammeerde celdood (apoptose) van afwijkende cellen vindt niet plaats.
10. Welk effect kan of welke effecten kunnen leiden tot het ontstaan van een
tumor?
A geen van beide
B alleen 1
C alleen 2
D zowel 1 als 2
Alle Tasmaanse duivels met DFTD hebben tumoren in en rond de bek. Bij nader
onderzoek blijken ze vaak ook in de rest van hun lichaam tumoren te hebben.
11. Hoe zijn de tumoren rond de bek van een Tasmaanse duivel ontstaan?
12. Beschrijf hoe de tumoren in de rest van het lichaam zijn ontstaan.
Om de theorie te ondersteunen dat DFTD overdraagbaar is, onderzochten Pearse en
Swift de chromosomen van elf Tasmaanse duivels met DFTD. Zij vergeleken de
karyogrammen van gezonde cellen van deze dieren met die van hun tumorcellen. Als
voorbeeld zijn twee karyogrammen uit één mannetje weergegeven in de afbeelding.
Een gezonde cel van dit mannetje levert het normale karyogram (a) met 14
chromosomen. Het karyogram van de tumorcel (b), telt in totaal 13 chromosomen.
In het tumorgenoom ontbreken chromosomenpaar 2, één van de chromosomen van
chromosomenpaar 6 en beide geslachtschromosomen; en er zijn vier sterk afwijkende
chromosomen (markerchromosomen), aangegeven met M1 tot en met M4. De
karyogrammen van de DFTDtumorcellen weken bij alle elf dieren op deze manier af
van karyogrammen van hun normale cellen.