Vloeiendheid leerdoelen
Uitleggen begrippen stoornissen en noemen kernsymptomen
Ontwikkelingsstotteren: kinderen die gaan stotteren tijdens de spraak- en
taalontwikkeling (t/m 6 jaar)
Neurologisch stotteren: stotterachtig spreken, gebaseerd op trauma/tumor dat
hersenbeschadiging veroorzaakt/beïnvloedt; er zit geen stotteren onder
Psychogeen stotteren: gaan stotteren als gevolg van een onderliggend psychologisch
probleem/trauma, zonder dat de patiënt zich hiervan bewust is
Broddelen: syndroom, gekarakteriseerd door een abnormaal snel en/of abnormaal
onregelmatig spreektempo. De spraak heeft 1 of meer van deze kenmerken: te veel
coarticulatie, veel normale onvloeiendheden.
o Dysritmisch: slechte controle spreektempo, verdeling ritmische patronen, tacylalie en
bradylalie
o Dysartrisch: misarticulaties, slechte coördinatie spreekbewegingen
o Dysfactisch: formuleringsproblemen, verward spreken, zinnen niet af
Combinatie van broddelen en stotteren: vaak mengvorm van broddelen én stotteren
Beschrijven ontwikkelingsniveaus van stotteren volgens Guitar met
kernstottergedrag, secundair gedrag, gevoelens en attitudes en mate van
chroniciteit
Normale niet-vloeiendheden
o Onvloeiendheden: interjecties, revisies, herhalingen
o Frequentie: minder dan 3% SLD
o Secundair gedrag: niet
o Gevoelens en attitudes: normaal
o Periodiciteit: bij enthousiasme neemt stotteren toe
Grensgeval (borderline) stotteren
o Onvloeiendheden: meer herhalingen en meer SLD
o Frequentie: SLD boven 10%
o Secundair gedrag: geen
o Gevoelens en attitudes: niet negatief, alleen tijdens stotteren
o Periodiciteit: meer bij enthousiasme, wisselend qua ernst (kan soms weken
verdwijnen)
Beginnend stotteren
o Kernstottergedrag: minimaal 3% SLD
o Frequentie: meer dan bij borderline stotteren
o Secundair gedrag: meer spierspanning en vechtgedrag
o Gevoelens en attitudes: bewust van onvloeiendheden; invloed op gevoelens
o Periodiciteit: ernst kan schommelen, maar stotteren is constant aanwezig
Overgang beginnend-gevorderd (intermediate) stotteren
o Kernstottergedrag: meer blokkades, duren langer
o Frequentie: neemt toe
o Secundair gedrag: meer vermijdings- en vechtgedrag
o Gevoelens en attitudes: meer negatieve gevoelens; ze zijn zich bewust van stotteren
o Periodiciteit: het is er de hele tijd, maar kan wisselen in ernst
Gevestigd stotteren
o Kernstottergedrag: SH, V en B
o Frequentie: wisselend, ze proberen stotteren te vermijden met andere woorden
o Secundair gedrag: veel, ook meer vecht- en vluchtgedrag
o Gevoelens en attitudes: worden sterker
o Periodiciteit: stotteren is moeilijk te doorbreken
Uitleggen ontwikkeling stotteren met behulp van:
Uitleggen begrippen stoornissen en noemen kernsymptomen
Ontwikkelingsstotteren: kinderen die gaan stotteren tijdens de spraak- en
taalontwikkeling (t/m 6 jaar)
Neurologisch stotteren: stotterachtig spreken, gebaseerd op trauma/tumor dat
hersenbeschadiging veroorzaakt/beïnvloedt; er zit geen stotteren onder
Psychogeen stotteren: gaan stotteren als gevolg van een onderliggend psychologisch
probleem/trauma, zonder dat de patiënt zich hiervan bewust is
Broddelen: syndroom, gekarakteriseerd door een abnormaal snel en/of abnormaal
onregelmatig spreektempo. De spraak heeft 1 of meer van deze kenmerken: te veel
coarticulatie, veel normale onvloeiendheden.
o Dysritmisch: slechte controle spreektempo, verdeling ritmische patronen, tacylalie en
bradylalie
o Dysartrisch: misarticulaties, slechte coördinatie spreekbewegingen
o Dysfactisch: formuleringsproblemen, verward spreken, zinnen niet af
Combinatie van broddelen en stotteren: vaak mengvorm van broddelen én stotteren
Beschrijven ontwikkelingsniveaus van stotteren volgens Guitar met
kernstottergedrag, secundair gedrag, gevoelens en attitudes en mate van
chroniciteit
Normale niet-vloeiendheden
o Onvloeiendheden: interjecties, revisies, herhalingen
o Frequentie: minder dan 3% SLD
o Secundair gedrag: niet
o Gevoelens en attitudes: normaal
o Periodiciteit: bij enthousiasme neemt stotteren toe
Grensgeval (borderline) stotteren
o Onvloeiendheden: meer herhalingen en meer SLD
o Frequentie: SLD boven 10%
o Secundair gedrag: geen
o Gevoelens en attitudes: niet negatief, alleen tijdens stotteren
o Periodiciteit: meer bij enthousiasme, wisselend qua ernst (kan soms weken
verdwijnen)
Beginnend stotteren
o Kernstottergedrag: minimaal 3% SLD
o Frequentie: meer dan bij borderline stotteren
o Secundair gedrag: meer spierspanning en vechtgedrag
o Gevoelens en attitudes: bewust van onvloeiendheden; invloed op gevoelens
o Periodiciteit: ernst kan schommelen, maar stotteren is constant aanwezig
Overgang beginnend-gevorderd (intermediate) stotteren
o Kernstottergedrag: meer blokkades, duren langer
o Frequentie: neemt toe
o Secundair gedrag: meer vermijdings- en vechtgedrag
o Gevoelens en attitudes: meer negatieve gevoelens; ze zijn zich bewust van stotteren
o Periodiciteit: het is er de hele tijd, maar kan wisselen in ernst
Gevestigd stotteren
o Kernstottergedrag: SH, V en B
o Frequentie: wisselend, ze proberen stotteren te vermijden met andere woorden
o Secundair gedrag: veel, ook meer vecht- en vluchtgedrag
o Gevoelens en attitudes: worden sterker
o Periodiciteit: stotteren is moeilijk te doorbreken
Uitleggen ontwikkeling stotteren met behulp van: