Basiskennis taalonderwijs pabo
Hoofdstuk 2 Taalonderwijs en taal
Belang taalonderwijs
1. Schriftelijke taalvaardigheden leren kinderen niet spontaan
2. Niet alle kinderen kunnen zelfstandig een bepaald niveau van taalvaardigheid eigen
maken
3. Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven
4. Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van het taalonderwijs
5. Als je kinderen plezier in boeken wilt bijbrengen, moet je daar apart aandacht aan
besteden
Functies van taal
1. Communicatieve of sociale taalfunctie
2. Conceptualiserende of cognitieve functie
3. Expressieve taalfunctie
Communicatieve of sociale taalfunctie
1. Zelfhandhaving = beschermen van zichzelf en verdedigen wat je hebt
2. Zelfsturing = Met woorden het handelen en plannen aankondigen
3. Sturing van anderen = gedrag van anderen beïnvloeden
4. Structurering van het gesprek = je gebruikt taal om gespreksverloop te beïnvloeden
Conceptualiserende of cognitieve functie (oplopend naar complexiteit)
1. Rapporteren = verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt
2. Redeneren = gebeurtenis bewerken door extra denkstap in te bouwen, bijv.
chronologisch ordenen
3. Projecteren = verplaatsen in gedachten en gevoelens van iemand anders
Expressieve taalfunctie
Taal gebruiken om te experimenteren, gevoel te uiten, om iets te zeggen dat anderen nog
niet eerder zo gezegd hebben.
Hoofdstuk 2 Taalonderwijs en taal
Belang taalonderwijs
1. Schriftelijke taalvaardigheden leren kinderen niet spontaan
2. Niet alle kinderen kunnen zelfstandig een bepaald niveau van taalvaardigheid eigen
maken
3. Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven
4. Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van het taalonderwijs
5. Als je kinderen plezier in boeken wilt bijbrengen, moet je daar apart aandacht aan
besteden
Functies van taal
1. Communicatieve of sociale taalfunctie
2. Conceptualiserende of cognitieve functie
3. Expressieve taalfunctie
Communicatieve of sociale taalfunctie
1. Zelfhandhaving = beschermen van zichzelf en verdedigen wat je hebt
2. Zelfsturing = Met woorden het handelen en plannen aankondigen
3. Sturing van anderen = gedrag van anderen beïnvloeden
4. Structurering van het gesprek = je gebruikt taal om gespreksverloop te beïnvloeden
Conceptualiserende of cognitieve functie (oplopend naar complexiteit)
1. Rapporteren = verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt
2. Redeneren = gebeurtenis bewerken door extra denkstap in te bouwen, bijv.
chronologisch ordenen
3. Projecteren = verplaatsen in gedachten en gevoelens van iemand anders
Expressieve taalfunctie
Taal gebruiken om te experimenteren, gevoel te uiten, om iets te zeggen dat anderen nog
niet eerder zo gezegd hebben.