Rechtshandelingen
Een rechtshandeling is een handeling gekenmerkt door het ermee beoogde rechtsgevolg. Een
rechtshandeling kan door 1 of meerdere personen tot stand worden gebracht, deze worden partijen
genoemd. Er is een onderscheid in verschillende soorten rechtshandelingen:
- Eenzijdige rechtshandelingen: er is 1 partij, omdat zij door een persoon tot stand zijn gebracht.
o Eenzijdig gerichte rechtshandelingen: er is een partij, die de geadresseerde is. Deze zijn
gericht tot minstens 1 specifiek persoon. Een voorbeeld hiervan is het ontslaan van een
werknemer.
o Eenzijdig ongerichte rechtshandeling: zijn niet gericht tot 1 specifiek persoon. Een
voorbeeld hiervan is het maken van een testament.
- Meerzijdige rechtshandelingen: er zijn 2 partijen, omdat zij door meer dan 1 persoon tot stand
is gekomen. Deze personen worden de partij en wederpartij genoemd. Een voorbeeld hiervan is
een overeenkomst.
o Eenzijdige overeenkomst: 1 partij neemt verplichtingen op zich (bijv. een schenking van
geld).
o Wederkerige overeenkomst: meerdere partijen nemen verplichtingen op zich. Zoals
normale overeenkomsten.
Er zijn ook feitelijke handelingen: handeling zonder beoogd rechtsgevolg.
De totstandkoming van een rechtshandeling bestaat uit meerdere componenten (art. 3:33 BW):
- Een op een rechtsgevolg gerichte wil.
- Een verklaring die deze wil openbaart.
De totstandkoming van een rechtshandeling is gebaseerd op een zogeheten dubbele grondslag. De
geopenbaarde wil is de primaire grondslag. Het opgewekte vertrouwen is de subsidiaire grondslag. Voor
de totstandkoming van een rechtshandeling geldt de genuanceerde ontvangsttheorie (art. 3:37 lid 3
BW): een verklaring verkrijgt haar werking zodra zij de persoon tot wie zij is gericht heeft bereikt. Een
eenzijdige, ongerichte rechtshandeling heeft werking vanaf het moment van de wilsuiting. Het gaat dus
om het moment van ontvangst. Het is noodzakelijk dat de ontvanger ook daadwerkelijk kennis heeft
genomen van de verklaring. Indien de ontvanger de verklaring niet (tijdig) heeft bereikt, heeft de
verklaring in beginsel geen werking. Dit ligt echter genuanceerder: de verklaring heeft toch werking,
indien dit het gevolg is van een omstandigheid die ingevolge art. 3:37 lid 3 BW voor het risico van de
geadresseerde komt:
- Gevolg van zijn eigen handeling.
- Gevolg van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is.
- Gevolg van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het
nadeel draagt.
Als er sprake is van 1 van deze omstandigheden, zal er toch een rechtsgeldige overeenkomst tot stand
komen. De bewijslast voor deze omstandigheden rust daarbij op de afzender, hij dient aan te tonen dat