Bastiaanse hoofdstuk 4 – taalverwerking en afasie op woordniveau
De taalverwerking vindt stapsgewijs plaats: de output van de ene stap dient als input van de volgende
stap; aangegeven met pijlen.
Het begrijpen van gesproken woorden
Auditieve-analysesysteem
Herkenning van spraakpatronen en daardoor van de analyse van binnenkomende spraak.
Destilleert de spraakklanken uit het achtergrondgeluid, waardoor een luisteraar tegelijk een
spreker kan begrijpen en naar muziek kan luisteren.
Het systeem doet in feite de individuele spraakklanken onderscheiden, herkennen en de juiste
volgorde vaststellen. Daartoe maakt het systeem gebruik van de lettergreepstructuur van de taal.
In de tussentijd dat de klanken worden omgezet in lettergrepen moet het systeem de klanken een
tijdje vast kunnen houden: buffer. Deze buffer houdt de elementen vast die geanalyseerd worden,
totdat de klankenreeks als een woord herkend kan worden door de volgende module;
geheugenfunctie; houdt de lettergrepen en volgorde even vast.
Stoornis in auditieve-analysesysteem
Niet of onjuist analyseren van de klankstroom.
De klanken worden niet goed geïdentificeerd of er zijn volgordefouten. Dit geldt ook voor niet-
bestaande woorden, omdat het systeem slechts de klankreeksen analyseert en er nog geen
woordherkenning plaats vindt (straat kan gehoord worden als straan/staart).
Begin woord wordt vaker beter geanalyseerd dan het einde.
Meer fouten met lange dan korte woorden; lengte-effecten: begin is beter dan het eind, kort is
beter dan lang: typische geheugenstoornis.
Leidt tot taalbegripsproblemen: patiënt hoort de binnenkomende klankreeks, maar kan deze niet
analyseren: pure woorddoofheid.
Auditieve-inputlexicon
Fonologische patronen van woorden zijn hier opgeslagen.
Langetermijngeheugen.
Alleen de woorden zijn opgeslagen, niet de betekenis.
Als er een klankstroom binnenkomt wordt deze geanalyseerd en vervolgens vergeleken met de
woorden die in het auditieve-inputlexicon liggen opgeslagen; het woord wordt herkend als woord.
Woorden die fonologisch verwant zijn (bak en bad) liggen bij elkaar opgeslagen en ook
tegelijkertijd worden geactiveerd. Uiteindelijk dooft de activatie van de verwante woorden uit en
kan de persoon het gehoorde woord herkennen.
Er is een constante uitwisseling tussen het AAS en AIL.
Stoornissen in het auditieve-inputlexicon
Problemen met activeren van een item; bijv. een ander verwant woord ‘wint’; woordvormdoofheid.
Hoogfrequente woorden zullen beter begrepen worden dan laagfrequente woorden.
Betekenis wordt hier nog niet begrepen; afasiepatiënten herkennen een woord vaak wel/weten of
het woord bestaat, maar weten niet wat het betekend.
Semantisch systeem
Hier liggen de woordbetekenissen opgeslagen.
Moeten er aparte systemen aangenomen worden voor non-verbale (concepten) en verbale
(woorden) betekenissen? Volgens Ellis & Young niet; dubbele dissociatie. In theorie moet een
onderscheid gemaakt worden tussen een verbaal en een non-verbaal SS als er patiënten zijn bij
wie de concepten intact zijn, maar de woordbetekenissen gestoord. Maar er moeten ook patiënten
zijn bij wie de non-verbale concepten gestoord zijn, maar die geen problemen ondervinden met
verbale concepten. Combinatie van non-verbale concept en verbale woord wordt hier lemma
genoemd.
De lemma’s zijn geordend naar betekenis: kat en hond liggen bij elkaar.
Zelfde activatie als in AIL: als kat is geactiveerd, worden de lemma’s kat, hond en konijn
geactiveerd.
Stoornissen in (de toegang tot) het semantisch systeem
Woorden worden niet goed begrepen; kat wordt begrepen als hond.
Centrale stoornis: er worden semantische fouten gemaakt in alle modaliteiten.