Probleem 1 ........................................................................................................................................... 3
1. Hoe vindt heffing van OB plaats?..................................................................................... 3
2. Wat is het systeem van de OB (essentialia)? .................................................................. 3
3. Verschil tussen btw nationaal en grensoverschrijdend binnen EU? ............................ 4
4. Hoe werkt de Europese richtlijn over de btw. ............................................................... 4
Probleem 2 ........................................................................................................................................... 6
1. Wanneer ben je ondernemer voor de omzetbelasting? ................................................ 6
2. Kan je de voorbelasting aftrekken voordat je een onderneming hebt? ....................... 9
3. Kan enkel verhuren tot ondernemerschap leiden? ....................................................... 9
Probleem 3 ........................................................................................................................................ 10
1. Hoe verloopt de heffing over goederen en diensten van en naar het buitenland? ... 10
2. Hoe verloopt de heffing van omzetbelasting voor scholen, ziekenhuizen en
gemeentes? .......................................................................................................................... 11
3. De regeling voor afstandsverkopen. ............................................................................. 11
Probleem 4 ........................................................................................................................................ 13
1. Hoe werkt btw-heffing bij invoer? ................................................................................ 13
2. Wat is maatstaf van heffing bij invoer? ......................................................................... 14
3. Hoe werkt het met invoer bij een abc overeenkomst? ................................................ 14
4. Welke vrijstellingen zijn er bij invoer? ......................................................................... 15
5. Uitstel van heffing mogelijk bij invoer? ........................................................................ 16
6. Wat is douane-entrepot? ................................................................................................ 16
Probleem 5 ........................................................................................................................................ 17
1. Verleggingsregeling in de bouw? .................................................................................. 17
2. Wanneer moet btw worden afgedragen? ..................................................................... 17
3. Los casus C op ................................................................................................................. 18
4. Betaal je btw bij onttrekking om niet? .......................................................................... 19
5. Btw over tweedehands goederen? ................................................................................ 19
6. Btw over overdracht onderneming? ............................................................................. 20
Probleem 6 ....................................................................................................................................... 22
1. Hoe werkt levering van onroerende zaak voor de btw? ............................................. 22
2. Hoe werkt verhuur van onroerende zaak voor de btw? ............................................. 24
3. Waarom moet je btw terugbetalen als je een optie niet gebruikt?............................. 25
1
, 4. Samenloop overdrachtsbelasting en btw?.................................................................... 25
5. Hoe werkt de optieregeling? .......................................................................................... 27
Probleem 7 ........................................................................................................................................ 29
Karakter van de vrijstellingen ........................................................................................... 29
Probleem 8 ........................................................................................................................................ 36
1. Moment van btw-aftrek ................................................................................................. 36
2. Eisen van aftrekbaarheid ............................................................................................... 36
3. Welke prestaties zijn uitgesloten van aftrek (uitsluitingsgronden) .......................... 38
4. Hoe werkt correctieaftrek bij onbetaalde facturen?.................................................... 39
2
, Probleem 1 (OB H1, 3, 4.9)
1. Hoe vindt heffing van OB plaats?
De belasting moet op aangifte worden voldaan (art. 14 Wet OB). Het wordt geheven van
ondernemers. Die berekenen het door aan de consumenten. Daarom is er sprake van
een indirecte belasting.
2. Wat is het systeem van de OB (essentialia)?
Rechtskarakter
De omzetbelasting heeft het karakter van een verkeersbelasting, productiebelasting en
van een verbruiksbelasting. Een verkeersbelasting betrekt bepaalde handelingen die in
het rechtsverkeer plaatsvinden in de heffing. Aangezien de omzetbelasting aangrijpt bij
juridische handelingen, zoals de levering van goederen, wordt gesteld dat een
omzetbelasting ook een verkeersbelasting is. Binnen een verkeersbelasting staat de
handeling die in het rechtsverkeer plaatsvindt op de voorgrond. Het is dan ook een
objectieve belasting. Als de rechtshandeling plaatsvindt, wordt de belasting geheven. Dit
karakter brengt ook met zich mee dat vrijstellingen en andere tariefdifferentiaties in
beginsel een strikt objectief karakter hebben.
In een productiebelasting vormt de productie het object van heffing. De omzetbelasting
als productiebelasting berust op de gedachte dat door de overheid gedane uitgaven die
het bedrijfsleven duidelijk ten goede komen, zoals aanleg van goede infrastructuur, van
de ondernemers kunnen worden teruggevorderd. Een productiebelasting berust dus op
het profijtbeginsel. Het heeft een subjectief en direct karakter. Het is subjectief omdat
vrijstellingen en tariefdifferentiaties gebonden zijn aan het subject.
Een productiebelasting wordt geheven volgens het oorsprongslandbeginsel: de
belasting wordt geheven en komt ten goede van het land waar de goederen vandaan
komen.
De omzetbelasting die in Nederland en elders in de EU wordt geheven is ene
verbruiksbelasting. Het beoogt dus het verbruik van goederen en diensten in de heffing
te betrekken. Het gaat hier alleen om het consumptief verbruik en niet om het
productief verbruik. Een verbruiksbelasting is ook wel een belasting die de consumptie
beoogt te belasten en dat doet door de besteding als maatstaf van die consumptie te
hanteren. De consumptie moet in geld gewaardeerd worden.
De heffing van verbruiksbelasting vindt altijd op indirecte wijze plaats, namelijk bij
degene bij wie de consument zijn bestedingen doet. Of de belasting economisch ook als
indirect wordt beschouwd, hangt ervan af of de afwenteling op de consument slaagt.
Verbruiksbelastingen worden onderscheiden in algemene verbruiksbelastingen en
bijzondere verbruiksbelastingen. Een algemene verbruiksbelasting betreft alle
bestedingen van de consument in de heffing. De bijzondere verbruiksbelasting, zoals
de accijnzen, betrekken alleen de bestedingen voor bepaalde goederen in de heffing.
Een verbruiksbelasting beoogt het verbruik van goederen en diensten door de
consument te belasten. De belastingheffing zal daarom moeten plaatsvinden in het land
van verbruik (bestemmingslandbeginsel). Goederen die worden uitgevoerd, worden dan
niet belast. Als de ondernemer dan bij de levering omzetbelasting heeft betaald, moet
dat bij uitvoer van die goederen terug worden gegeven. Bovendien mag er geen verschil
maken of de consumptie in het land zelf vervaardigde of in het buitenland
geproduceerde goederen betreft. De verbruiksbelasting kent daarom een heffing bij
invoer. De verbruiksbelasting kent verder ook een regeling ter zake van het eigen
gebruik. Vrijstellingen en tariefdifferentiaties hebben een objectief karakter. Het gaat
namelijk om het belasten van verbruik en niet de ondernemer die deze verricht.
3