Voeding en vertering
De bereiding van yoghurt
Zuivelbedrijven die yoghurt bereiden, krijgen soms een opbrengst van waterige melk
met klonten, veroorzaakt door bacteriofagen in de yoghurtcultuur. Dankzij CRISPR-
Cas kan dit voorkomen worden. Yoghurt wordt gemaakt door melk te enten met de
melkzuurbacteriën Streptococcus thermophilus en Lactobacillus bulgaricus. Deze
bacteriën zetten melkeiwitten om en verbruiken lactose (melksuiker) uit de melk voor
hun energievoorziening. Hierdoor verzuurt de melk snel en krijgt die een andere
smaak, structuur en voedingswaarde: het wordt yoghurt. Doordat yoghurt veel
minder lactose bevat dan melk is het een geschikt zuivelproduct voor mensen met
lactose-intolerantie. Na het eten van yoghurt hebben de yoghurtbacteriën die levend
de darm bereiken een gunstig effect op de darmflora, de stoelgang en het
immuunsysteem van de darm. De twee bacteriesoorten zijn samen efficiënter in het
veranderen van de melk in yoghurt dan ieder apart. Zo produceert L. bulgaricus
voornamelijk endopeptidasen, enzymen die peptidebindingen binnen een
peptideketen verbreken, en produceert S. thermophilus voornamelijk exopeptidasen,
enzymen die peptide-bindingen aan de uiteinden van een peptideketen verbreken.
De enzymactiviteit van S. thermophilus is hoger als deze bacterie samen met L.
bulgaricus aan melk wordt toegevoegd dan als alleen S. thermophilus wordt
toegevoegd.
1. Leg uit wat een enzym is.
2. Verklaar deze hogere enzymactiviteit van S. thermophilus op moleculair
niveau.
Dankzij de activiteit van de melkzuurbacteriën zijn voedingsstoffen uit yoghurt sneller
op te nemen dan uit melk, ook voor mensen die geen lactose-intolerantie hebben.
3. Geef hiervoor een verklaring.
De galblaas en de alvleesklier
Op een middelbare school moeten leerlingen voor een opdracht de werking van de
galblaas en de alvleesklier bestuderen. De galblaas produceert galvloeistof en de
alvleesklier produceert alvleeskliersap.
4. Noem een overeenkomst van zowel de galvloeistof als het alvleeskliersap.
,Hardloper
Een ongetrainde loper krijgt na enige tijd hardlopen pijn in zijn zij. Opgehoopt gas
wordt wel als verklaring voor het ontstaan van deze pijn genoemd. Dit gas wordt door
bacteriën gevormd en door het hardlopen hoopt het zich op in een bepaald deel van
het spijsverteringskanaal. Normaal wordt het gevormde gas via het bloed afgevoerd.
Bij hardlopen is de doorbloeding van het spijsverteringskanaal geringer dan normaal.
Drie delen van het spijsverteringskanaal zijn de dikke darm, de dunne darm en de
maag.
5. In welk deel van het spijsverteringskanaal is de kans op een dergelijke
ophoping van gas tijdens het hardlopen het grootst?
A in de dikke darm
B in de dunne darm
C in de maag
D twaalfvingerige darm
Voedselinname
Een echtpaar eet gedurende de maand december meer dan normaal en neemt
daardoor sterk in gewicht toe. In die maand bevat hun voedsel een overmaat een
eiwitten, koolhydraten en vetten. Bij onderzoek blijkt dat hun sterkte
gewichtstoename grotendeels veroorzaakt is door het aanzienlijk dikker worden van
de laag onderhuids vetweefsel.
6. Uit welke stoffen in hun voedsel kan direct of indirect het vet zijn gevormd dat
zich nu onder hun huid bevindt?
A alleen uit vetten
B alleen uit eiwitten en vetten
C alleen uit koolhydraten en vetten
D uit eiwitten, koolhydraten en vetten
Speeksel
7. Speekselamylase, afgegeven in de mond, zal in de twaalfvingerige darm geen
zetmeel verteren doordat:
A speekselamylase in de maag wordt gehydrolyseerd
B speekselamylase niet specifiek is voor zetmeel in de twaalfvingerige darm
C de pH in de twaalfvingerige darm te laag is voor een optimale werking van
speekselamylase
D de temperatuur in de twaalfvingerige darm te hoog is voor de optimale
werking van speekselamylase
, Verteringsprocessen
In de dunne darm en in de dikke darm spelen zich een aantal processen af, zoals:
1 afgifte van enzymen aan het voedsel
2 kneedbewegingen
3 activiteit van bacteriën
8. Welk(e) van deze processen zal (zullen) leiden tot een toename van de
hoeveelheid stoffen, die geresorbeerd kunnen worden?
A alleen 1
B alleen 1 en 2
C alleen 1 en 3
D 1, 2 en 3
Enzymactiviteit in grafiekvorm
In de figuur wordt het verband weergegeven tussen de temperatuur en de snelheid
van een reactie die door een enzym wordt beïnvloed. In figuur 2 wordt met grafiek S
het verband weergegeven tussen de pH en de reactiesnelheid bij temperatuur Q.
9. Het verband tussen pH en reactiesnelheid bij temperatuur P kan worden
weergegeven door grafiek:
A R
B S
C T
D U
Vertering van eiwitten en vetten
10. Komt er bij de vertering van een eiwit water vrij? En bij de vertering van een
vet?
A Alleen bij de vertering van een eiwit komt water vrij.
B Alleen bij de vertering van een vet komt water vrij.
C Bij de vertering van een eiwit en bij de vertering van een vet komt geen
water vrij.