Deze begrippenlijst is gebaseerd op de toegewezen literatuur, eigen kennis en internetbronnen. De
literatuurlijst bevat ongeveer 85 à 90% van de begrippen.
,Begrippenlijst jaar 1
Expertisegebied sociale wetenschappen
Begrippen leeromgeving 1.1 en 1.2
Nature: Genetisch bepaald (van nature)
Nurture: Omgevingsfactoren
Socialisatie: Levenslange proces van sociale ervaringen, waardoor een ‘ik’
ontwikkelt wordt
Model van Bronfenbrenner: Ieder individu is anders en kijkt anders naar de werkelijkheid.
Individu → microniveau → meso/exoniveau → macroniveau.
Primair opvoedmilieu: Het gezin waarin het kind is opgegroeid.
Secundair opvoedmilieu: Beroepsopvoeders (juf).
Tertiair opvoedmilieu: De buurt, de omgeving.
Multilateraal: Ouders die beiden een overheersende rol vervullen.
Matriarchaal: Opvoeding waarbij de vrouw een overheersende rol vervuld.
Patriarchaal: Opvoeding waarbij de man een overheersende rol vervuld.
Extented family: Een familie dat verder gaat dan het kerngezin (opa, oma etc.)
Harmonieus gezin: Gezin is goed op elkaar afgestemd.
Kluwengezin: Gezin waarin overvloed is aan betrokkenheid naar elkaar.
Loszandgezin: Gezin waarin tekort is aan betrokkenheid naar elkaar.
Gezond gezien: Gezin waarin rekening wordt gehouden met (emotionele)
behoeften.
Warme opvoedstijl: Opvoedstijl waarbij goed contact is tussen ouder en kind.
Ouder heeft respect voor het kind, zoals hij is en geeft
liefde/steun.
Koele opvoedstijl: Opvoedstijl waarbij weinig ruimte is voor emoties. Contact met
kind is oppervlakkig of zelfs vijandig.
Dominante opvoedstijl: Opvoedstijl waarin van het kind verwacht wordt dat hij zich
volledig aanpast aan regels van ouders. Kind wordt gestraft
wanneer nodig.
Toegeeflijke opvoedstijl: Opvoedstijl waarin zo min mogelijk eisen aan het kind wordt
gesteld. Veel vrijheid.
Parentcentered: Opvoeding is afgestemd op de ouder.
Childcentered: Opvoeding is afgestemd op het kind.
Persoonlijkheid: Geheel van karaktereigenschappen die aan een persoon
worden toegekend.
Temperament: Vurigheid van een karakter
Big 5: Eigenschappen die kans op depressie, angst en
schuldgevoelens verkleinen:
1. Extraversie
2. Vriendelijkheid
3. Openheid
4. Zorgvuldigheid
5. Ordelijkheid
Actieve coping: Actief (gezond) omgaan met emoties en gevoelens.
Passieve coping: Stress rondom het probleem, waardoor probleem voor het
gevoel groter wordt.
, Probleemgerichte coping: Actieve benadering van een probleem, direct gericht op het
oplossen ervan. Denken in mogelijkheden.
Emotiegerichte coping: Handelen vanuit emotie: afleiding zoeken, erover praten,
ontspannen.
Gehechtheid: De affectieve band tussen twee individuen
Balansmodel: Micro, meso en macroniveau zijn met elkaar in balans van
draaglast en draagkracht.
Executieve functies
Inhibitie: Vermogen om na te denken voordat je iets doet
Werkgeheugen: Opslaan van informatie en deze vasthouden. Uitvoeren van
complexe taken.
Zelfregulatie: Vermogen om emoties te reguleren, taken te voltooien en
gedrag te controleren.
Volgehouden aandacht: Vermogen om aandacht vast te houden op momenten
wanneer afleiding aanwezig is of vermoeidheid/verveling
optreedt.
Taakinitiatie: Inschatten van taken qua tijd op efficiënte wijze.
Planning/prioriting: Prioriteiten stellen in taken en op basis daarop een planning
maken.
Organisatie: Het vermogen om dingen te ordenen.
Timemanagement: Vermogen om in te schatten hoeveel tijd iets kost.
Doelgericht doorzettings-: Vermogen een doel te formuleren en te realiseren.
vermogen
Flexibiliteit: Vaardigheid om plannen te herzien wanneer tegenslagen zich
voordoen of er nieuwe informatie is. Aanpassen aan
omstandigheden.
Metacognitie: Vermogen om een stapje terug te doen om de situatie te
overzien.
In-group: Sociale groep waarvan iemand lid is met gevoelens en
loyaliteit en respect ten opzichte van andere groepsleden.
Vaak wordt deze groep beter gezien dan andere groepen.
Out-groep: Sociale groep waartoe men niet behoort en die men vaak
beschouwt met gevoelens van minderwaardigheid of rivaliteit.
Bio-psycho-sociaal model: Verklaringsmodel van psychische stoornissen/problematieken.
Cognitieve ontwikkeling: Het leren, onthouden, het oplossen van problemen op basis
van intelligentie.
Motivatie: De beweegreden achter acties en gedrag
Sensorisch geheugen: Zintuigen
Werk- korte termijn “: Tijdelijke opslagplaats van informatie in de hersenen.
Lange termijn geheugen: Informatie die voor lange tijd wordt bewaard.
Impliciet geheugen: Vorm van lange termijn geheugen waarbij er niet direct sprake
is van bewust beleving (onbewust).
Expliciet geheugen: De opgeslagen kennis kan men bewust oproepen.
Procedureel geheugen: Onderdeel impliciet geheugen. Zowel motorische als