Taalwetenschap
Abjad H13 Schrijfsysteem waarin elke consonant door een symbool
weergegeven wordt, bijv. Arabisch of Hebreeuws
Absolute universalia en Alle talen hebben klinkers en medeklinkers hebben. Alle talen
niet-absolute universalia hebben woorden voor dag/nacht, licht/donker, kinship etc. De niet-
H14 absolute universalia (niet in elke taal hetzelfde) zijn de volgende:
Bijna alle talen hebben CV-syllabes (bijna?) alle talen hebben een
expliciet heden – niet-heden contrast.
Accusatief H4 De "vierde" naamval, meestal de naamval voor het lijdend voorwerp
Objectvormen zijn accusatief/datief-vormen:
- Direct object: lijdend voorwerp = accusatief (Ik stuurde hen weg)
Acroniem H4 zijn woorden die gevormd worden door de eerste letters van
verschillende woorden. Bijv. UNESCO (United Nations Educational,
Scientific and Cultural Organization)
adjunct Zinsdeel dat niet, zoals argumenten, verplicht is. Meestal met
bijwoordelijke functie; qua vorm meestal een voorzetsel- of
adverbiale constituent.
adjectief / bijvoeglijk Woordsoort (inhoudswoord); geeft informatie over een zelfstandig
naamwoord naamwoord.
adverbium / bijwoord Woordsoort (inhoudswoord); Een woord dat iets zegt over een
werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een zin.
Affix H3 Gebonden morfeem, meestal voorvoegsel of achtervoegsel, dat aan
een stam wordt gehecht, om een nieuw woord te vormen of om het
woord te vervoegen. (zie prefix, suffix, infix)
Affricaat H2 Combinatie van een plosief en fricatief: de /j/ in jungle.
Agens H5 De handelende persoon. (Door wie…?) ik koop een boek (vaak het
subject)
agglutinerende taal H3 en Een taal waarin woorden veelal bestaan uit een stam en erachter
H14 geplakte series van morfemen met individuele betekenissen. (Vb is
Turks)
Allofoon H2 Verschillende manieren om een foneem te articuleren (afhankelijk
van de fonetische omgeving). Bv de e in ‘beer’ of de e in ‘beet’. Het
is de willekeurige vorm van een foneem. Het is maar net hoe je de
foneem uitspreekt, er mag hierbij geen betekenisverandering van
het woord optreden. Bijv. bij de woorden ‘pen’, ‘plaat’, ‘stop’.
Hierbij is de /p/ klank steeds een klein beetje anders.
Allomorf H3 Morfemen kunnen verschillende fonologische vormen hebben
(klanken aannemen). Deze variant vormen heten allomorphs. Bijv.
De ‘t’ klank in kissed. Je schrijft –ed, maar hij klinkt als /t/
Alveolair H2 Consonanten (klanken) die zo worden gearticuleerd dat er een
vernauwing of afsluiting van het mondkanaal plaatsvindt doordat de
punt van de tong tegen de tandkassen (het alveolum) wordt
geplaatst. In het NL zijn dit de t, d, s, z, l en r (niet overal).
Ambiguïteit H5 Een woord als bank kan meerdere betekenissen hebben
anafoor Een pronominaal element in een zin verwijst terug naar een ander
element eerder in de tekst (of vooruit) VB: “Jan gelooft dat hij ziek
is”: Jan is hier antecedent en ‘hij’ is anafoor en verwijst terug naar
Jan. “Zijn moeder gelooft dat Jan ziek is”: Jan is hier wederom
antecedent en ‘zijn moeder’ is anafoor.