Redekundig ontleden is het verdelen van zinnen in zinsdelen: je benoemt elk gedeelte van
een zin.
PV – werkwoord dat van tijd kan veranderen
Gez – PV + werkwoorden (+ soms naamwoorden)
OW – wie/wat + Gez ?
LV – wat/wie + Gez + OW ?
MV – aan/voor wie/wat + Gez + OW + LV ?
BWB – de ‘rest’
Werkwoordsvormen
Persoonsvorm tegenwoordige tijd – pvtt
Persoonsvorm verleden tijd – pvvt
Infinitief – inf
Voltooid deelwoord – vdw
Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt – vdw als bn
Onvoltooid deelwoord – ovdw
Onvoltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt – ovd als bn
Gebiedende wijs – geb. wijs
Voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord is een werkwoordsvorm die wordt gebruikt als deel van een
werkwoordelijk gezegde. We gebruiken een voltooid deelwoord om de voltooid
tegenwoordige tijd en voltooid verleden tijd te vormen.
Jan heeft naar de open dag de metro genomen.
heeft = hulpwerkwoord
genomen = voltooid deelwoord
heeft genomen = werkwoordelijk gezegde
Ze is snel naar de gate gelopen.
is = hulpwerkwoord
gelopen = voltooid deelwoord
is gelopen = werkwoordelijk gezegde
Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
Voltooide deelwoorden worden vaak bijvoeglijk gebruikt; ze worden dan bijvoeglijke
naamwoorden genoemd en staan vóór zelfstandige naamwoorden.
Belegde broodjes, de gevolgde route, weggegooid geld, een gemiste kans, een getrokken
pistool, verloren moeite, de bereden politie, geplukte bloemen
, Gebiedende wijs
De gebiedende wijs wordt gevormd door de ik-vorm van het werkwoord.
Blijf zitten, Noa!
Ga studeren
Word lid
Red het milieu
Vind maar eens een invaller
Als de gebiedende wijs voorkomt met u als onderwerp, krijgt die wel een -t achter de ik-
vorm.
Komt u verder
Gaat u zitten!
Maakt u zich geen zorgen
Betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijke voornaamwoorden kunnen verwijzen naar iets wat of iemand die al éérder
voorkomt in de zin.
De betrekkelijk voornaamwoorden zijn: dat, wat, die, wie, hetgeen, welke.
Bezittelijk voornaamwoord
Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan: mijn, zijn, haar, jouw (bijvoeglijke vormen),
de mijne, de jouwe, de hare (zelfstandige vormen).
Persoonlijk voornaamwoord
Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar een persoon, een dier of een ding en komen
uitsluitend zelfstandig voor:
Ik, 'k, mij, me, jij, u, je, jou, hij, zij, ze, het, 't, hem, haar, 'm, d'r, wij, we, ons, jullie, hen, hun.
Zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waarvoor je de lidwoorden de, het of een kunt
zetten. Het zijn namen van mensen, dieren, planten en dingen. Ook eigennamen zijn
zelfstandige naamwoorden.
Voorzetsels
Een voorzetsel geeft vaak een plaats, tijd, middel, bezit of richting aan en komt alleen voor in
combinatie met een of meer woorden.
De doos is een hulpmiddel om erachter te komen of het een voorzetsel is.
Op, achter, door, over, bij, in, tegen, om, uit, naast, voor, onder